wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wet- en Regelgeving 2.1

Total questions: 12

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Met welke wetten krijg je als SW'er te maken?

a)

Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

b)

Jeugdwet

c)

Wet passende mantelzorg (Wpm)

d)

Participatiewet

e)

Persoonsgebonden Budgetwet (pgw)

2.

Wat is precies het verschil tussen een regel en een wet?

a)

Aan een regel hoef je je niet perse te houden. Op een wet overtreden staat een straf.

b)

Een regel staat niet vast en kan mettertijd veranderen, een wet ligt voor altijd vast in een wetboek.

c)

Een regel is een richtlijn, een norm. Een wet is een door de wetgevende macht goedgekeurde rechtsregel.

d)

Een wet is ingesteld door de koning, een regel door het parlement en de Tweede Kamer.

3.

Wat is een 'pgb' en wat kan iemand die dit toegekend heeft gekregen van de gemeente hiermee doen?

a)

Een persoonsgebonden budget waarmee iemand zelf zorg en ondersteuning kan regelen.

b)

Een persoonsgebonden budget waarmee iemand personeel kan inhuren.

c)

Een persoonlijk budget waarmee iemand zorg kan aanvragen bij de gemeente.

d)

Een persoonsgerelateerd bedrag waarvoor de gemeente zorg voor iemand regelt.

4.

Welke van de onderstaande voorbeelden zijn doelen die de Jeugdwet nastreeft?

a)

Goede onderlinge samenwerking: één begeleider, één gezin, één plan

b)

Eerder aanbieden van (jeugd)hulp voor kwetsbare kinderen en jongeren

c)

Kindermishandeling professioneel aanpakken

d)

Beperken van medicijnverstrekking

e)

Uitgaan van de eigen kracht van de jongere, ouders en hun omgeving

5.

Voor welke doelgroepen is de participatiewet bedoeld?

a)

ouderen met een pensioen

b)

iedereen die kan werken, maar zonder hulp het niet redt op de arbeidsmarkt

c)

mensen met een arbeidsbeperking

d)

jongeren die ook naar school gaan

6.

Wat wil de overheid bereiken met de Wet Passend Onderwijs?

a)

Dat scholen de mogelijkheid hebben voor ondersteuning op maat

b)

Dat een kind naar speciaal onderwijs gaat als intensieve begeleiding nodig is

c)

Dat kinderen niet langdurig ziek thuis zitten

d)

Dat alle kinderen ongeacht hun mogelijkheden of beperking op één school zitten

e)

Dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen

7.

Wat staat er in de wet Wbp (Wet bescherming persoonsgegevens) met betrekking tot jouw persoonsgegevens?

a)

Dat je het recht hebt om je eigen persoonsgegevens te veranderen

b)

Er staat in wat wel en niet mag met jouw persoonsgegevens

c)

Van welke persoon jij het recht hebt om persoonsgegevens in te zien

d)

Er staat in welke instanties jouw persoonsgegevens mogen bewaren

8.

Welke mensen (in functie) zijn betrokken bij het opstellen van een wetsvoorstel?

a)

staatssecretarissen

b)

ambtenaren

c)

Eerste Kamerleden

d)

Tweede Kamerleden

e)

de koning

9.

Welke uitspraken over een 'Broodfonds' zijn juist?

a)

Het is bedoeld voor zelfstandigen zonder personeel (zzp'ers)

b)

Het is bedoeld voor nabestaanden van een partner.

c)

Het is wordt betaald door het UWV, indien aan de voorwaarden is voldaan.

d)

Het kan zorgen voor een pension of uitkering bij ziekte of arbeidsongeschiktheid.

e)

Het wordt betaald door mensen die eraan meedoen.

10.

Welke uitspraken over het UWV zijn juist?

a)

Het staat voor Uitkeringen- en Werkuitvoeringsbond.

b)

Het werkt met inkomensgrens, die afhangt van de gezinssamenstelling.

c)

Het is een overheidsinstelling (voert namens de overheid taken uit).

d)

Bij het UWV worden uitkeringen en voorzieningen aangevraagd.

11.

Wat zijn drie voorbeelden van voorzieningen die mensen bij het UWV kunnen aanvragen?

a)

thuiszorg, gebarentolk en speciaal vervoer

b)

aanpassingen in huis, coaching en mantelzorg

c)

kinderopvang, studietoeslag en respijtzorg

d)

verlof, huurbescherming en broodfonds

12.

Wat betekent het begrip 'toeslagen'?

a)

Financiële vergoedingen voor mensen die onbetaalde zorgtaken uitvoeren, zoals mantelzorg.

b)

Financiële bijdragen voor mensen met een laag inkomen ter compensatie van hoge kosten.

c)

Financiële voordelen die mensen naast het salaris van hun werkgever ontvangen, zoals vakantiegeld.

d)

Financiële premies die mensen moeten betalen in het kader van sociale voorzieningen.