Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 mavo H1 en H2

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Het maken van keuzes, waarbij het één belangrijker is dan het ander, noem je ...

a)

Koopkracht

b)

Prioriteren

c)

Behoeften

d)

Middelen

2.

Koopkracht is ..

a)

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

b)

De middelen in zetten

c)

Alle noodzakelijke behoeften bevredigen

d)

Alle luxebehoeften bevredigen

3.

Koopkracht is ..

a)

De mate waarin je in je behoeften kunt voorzien

b)

De middelen in zetten

c)

Alle noodzakelijke behoeften bevredigen

d)

Alle luxebehoeften bevredigen

4.

Vrije goederen zijn ..

a)

Goederen waarvoor je middelen in moet zetten om ze te verkrijgen

b)

Goederen die zonder de inzet van middelen te verkrijgen zijn

c)

Water

d)

Een auto

5.

Een speeltuin en een parkeerplaats zijn voorbeelden van ...

a)

Zelfvoorziening

b)

Koopkracht

c)

Goederen en diensten

d)

Collectieve voorzieningen

6.

Als je zonnepanelen gebruikt, doe je aan zelfvoorziening

a)

Waar, want je wekt je eigen energie op. Ondanks de investering, kun je daarna zelfvoorzienend zijn

b)

Niet waar, je koopt de energie van de energiemaatschappij

7.

In welke stelling staat een juiste reden waarom bedrijven jongeren als een interessante doelgroep zien?

a)

Jongeren hebben over het algemeen veel geld vrij te besteden

b)

Jongeren kiezen toch welke boodschappen hun ouders doen

8.

Je ziet hier ...

a)

Commerciële reclame

b)

Merkreclame

c)

Ideële reclame

d)

Sluikreclame

9.

De 6 p's worden ook wel de ... genoemd

a)

Alles wat een bedrijf doet om de verkopen te laten toenemen

b)

Product, plaats, promotie, prijs, presentatie, personeel

c)

Winst maken

d)

Marketingmix

10.

Thijs wil een spelcomputer en een mountainbike. Hij kan beide niet kopen. Hij heeft een tekort aan ...

a)

Middelen

b)

Behoeften

c)

Prioriteiten

11.

Een auto is meestal een secundaire behoefte, toch kan het zijn dat je je auto nodig hebt om naar je werk te gaan. Dan is het een ...

a)

Primaire behoefte

b)

Luxe behoefte

c)

Overige behoefte

d)

Secundaire behoefte

12.

Welke P hoort bij: Sportzaak Sports4All sponsort sportverenigingen in de omgeving.

a)

Prijs

b)

Plaats

c)

Promotie

d)

Personeel

13.

Welke P hoort bij: Tina heeft een theewinkeltje waar ze producten van 1 merk verkoopt.

a)

Prijs

b)

Plaats

c)

Product

d)

Promotie

14.

Informatie van reviewsites is altijd onpartijdig.

a)

Ja, want ze zijn door consumenten geschreven

b)

Ja, want iedereen kan ze schrijven

c)

Nee, want je kunt niet controleren of ze door consumenten zijn geschreven

d)

Nee, want het is geschreven door producenten

15.

Het nationaal inkomen is een optelsom van ...

a)

alle inkomens uit arbeid en bezit van een land

b)

alle inkomens uit overdrachten en bezit van een land

c)

alle inkomens in natura en uit arbeid van een land

d)

alle inkomens uit overdrachten en in natura van een land

16.

In welke regel staan alleen maar consumentenorganisaties?

a)

Rover, ANWB, Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond

b)

Rover en de Hema

c)

Vereniging Eigen Huis, Fairtrade, Kieskeurig

d)

Gezonde vinkje, Consumentenbond, ANWB

17.

Een keurmerk geeft aan ...

a)

Dat het een goed product is

b)

Dat het product aan bepaalde eisen voldoet

c)

Dat het product gezond is

d)

Dat het product via eerlijke handel is verkregen

18.

De advertentie van Coolblue is een voorbeeld van?

a)

Commerciële reclame

b)

Ideële reclame

c)

Sluikreclame

19.

Als je kinderbijslag krijgt, welke vorm van inkomen krijg je dan?

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Overdrachtsinkomen

d)

Inkomen in natura

20.

Geert is 78 jaar en moet rondkomen van alleen een AOW-uitkering. AOW is een voorbeeld van...

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Inkomen uit overdrachten

d)

Loon in natura

21.

Dividend op je aandelen is

a)

Inkomen uit arbeid

b)

Inkomen uit bezit

c)

Inkomen uit overdracht

22.

De prijzen stijgen sneller dan de inkomens. Waar is er sprake van?

a)

Inflatie

b)

Deflatie

23.

Waar bestaat het secundaire inkomen uit?

a)

Primaire inkomen minus belastingen en premies

b)

Primaire inkomen minus belastingen

c)

Primaire inkomen minus belastingen en premies en plus toeslagen/subsidies

d)

Primaire inkomen minus belastingen en premies, plus toeslagen, minus heffingen en plus subsidies

24.

De kosten voor de milieuschade door de productie in de vorm van geluidsoverlast, stankoverlast of luchtvervuiling noem je

a)

Maatschappelijke kosten

b)

Maatschappelijke opbrengsten

25.

In welke optie staat een mogelijkheid om het begrotingstekort te verkleinen?

a)

Besparen op de uitgaven

b)

Meer uitgeven

c)

Zorgen dat de inkomsten minder zijn

d)

Zorgen dat de belastingen verlaagd worden

26.

Wat is een begroting?

a)

Een overzicht van inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode

b)

een overzicht van inkomsten over een bepaalde periode

c)

een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven over een bepaalde periode

d)

een overzicht van verwachte inkomsten over een bepaalde periode

27.
Voor welke uitgaven reserveer je geld?
a)
dagelijkse uitgaven
b)
vaste lasten
c)
incidentele uitgaven
28.
Als ik van een weeksalaris naar een maandsalaris wil rekenen moet ik eerst...
a)
van week naar jaar  en daarna naar maand gaan
b)
van week naar maand gaan
c)
van week naar kwartaal gaan en daarna naar jaar
d)
van maand naar week gaan en dan naar een week
29.
Budgetteren is:
a)
Het vergroten van je inkomen
b)
Het verkleinen van je uitgaven
c)
Het afstemmen van je toekomstige inkomsten op je toekomstige uitgaven
d)
Het afstemmen van je toekomstige uitgaven op je toekomstige inkomsten
30.

wat zijn de drie geldfuncties?

a)

spaar, oppot en rekenmiddel

b)

reken, ruil en spaarmiddel

c)

reken, ruil en betaalmiddel

31.

De drie soorten spaarmotieven zijn:

a)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel, voor je ouders

b)

Sparen voor rente, voor een bepaald doel en uit voorzorg

32.

Als iemand spaart voor een wasmachine die misschien in de toekomst kapot gaat, dan spaar je uit...

a)

Uit voorzorg

b)

voor de rente

c)

voor een bepaald doel

33.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving: "Redenen om te sparen. Je kunt sparen voor een doel, uit voorzorg of voor de rente."

a)

Geldfuncties

b)

Consumptief krediet

c)

Kredietkosten

d)

Leenmotieven

e)

Spaarmotieven

34.

consumptief krediet is een lening die je als consument krijgt bij een bank of bij een leverancier (bv Wehkamp). Er zijn drie soorten. Kruis ze alle drie aan:

a)

persoonlijke lening

b)

doorlopend krediet

c)

koop op afbetaling

d)

hypotecaire lening

35.

een maandtermijn is een vast bedrag dat je elke periode betaalt voor een lening. een maandtermijn bestaat uit twee delen. kruis ze aan.

a)

aflossing

b)

spaarbedrag

c)

lening

d)

rente

36.

beleggen is geld steken in iets (bijvoorbeeld aandelen) waarvan je verwacht dat het meer oplevert dan sparen

a)

waar

b)

niet waar

37.

Een spaardeposito is een spaarrekening waarbij je geld een tijdje vast staat. Welke soort rente hoort bij een spaardeposito?

a)

variabele rente

b)

vaste rente