Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

herhaling nask

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Biologie gaat over ...

a)

levende natuur

b)

levenloze natuur

2.

Natuurkunde gaat over ...

a)

levenloze natuur

b)

levende natuur

3.

Scheikunde gaat over ..

a)

levende natuur

b)

levenloze natuur

4.

Natuurkunde heeft te maken met onderwerpen die .... zijn.

a)

omkeerbaar

b)

onomkeerbaar

5.

Scheikunde heeft te maken met onderwerpen die ... zijn.

a)

omkeerbaar

b)

onomkeerbaar

6.

Het verbranden van een kaars is een voorbeeld van :

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

7.

Je pakt de zwarte rand bij de roltrap vast en je krijgt een schok.

Dit hoort bij ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

8.

Je steekt een lucifer aan.

Dit is een voorbeeld van ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

9.

De plant in de kamer hangt slap.

Dit heeft te maken met ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

10.

Een lasershow is een voorbeeld van een onderwerp uit de ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

11.

Een verroeste fiets is typisch een voorbeeld van ....

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

12.

Een gebakken ei is een voorbeeld van ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

13.

Je wilt een lucifer aansteken, maar deze breekt en is dus onbruikbaar.

Dit is een voorbeeld van ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

14.

Je hebt een chocolade reep in een hete auto laten liggen.

Dit hoort bij ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

15.

Mensen die dit soort attracties bezoeken hebben te maken met ...

a)

natuurkunde

b)

scheikunde

c)

biologie

16.

Stof betekend:

a)

waarvan het gemaakt is

b)

een product dat ergens van gemaakt wordt

17.

Een materiaal wordt door de mens gebruikt om er een product van te maken.

Welke van onderstaande stoffen is GEEN product?

a)

hout

b)

water

c)

steen

18.

Een stof kan op .... manier(en) veranderen

a)

1

b)

2

19.

Een stof kan veranderen van toestand.

Welke omschrijving hieronder is juist?

a)

ijs verandert in water

b)

hout verandert in houtskool

c)

een rauwe aardappel verandert in een gekookte aardappel

20.

Welke van onderstaande dingen omschrijft een scheikundige reactie?

a)

je mobiel is leeg en je legt 'm aan de lader

b)

je blaast adem uit en ziet een wolkje

c)

hout verandert in houtskool

21.

Hoe heet dit glaswerk?

a)

cilinderglas

b)

maatcilinder

c)

bekerglas

d)

erlenmeyer

22.

Hoe heet dit glaswerk?

a)

bekerglas

b)

maatbeker

c)

kookkolf

d)

pipet

23.

Hoe heet dit glaswerk?

a)

pipet

b)

kookkolf

c)

erlenmeyer

d)

bekerglas

24.

Welke van onderstaande woorden is een eenheid?

a)

gewicht

b)

temperatuur

c)

lengte

d)

meter

25.

Een grootheid is iets

a)

dat je meet

b)

dat je kunt meten

c)

dat je achter het getal zet

d)

dat in elk land anders is