wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V4/H4 Cellen

Total questions: 8

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welk proces wordt in de afbeelding weergegeven? (T1)

a)

Diffusie

b)

Osmose

c)

Fotosynthese

d)

Verbranding

2.

In de afbeelding is een grafiek te zien. In deze grafiek wordt de oppervlakte celmembraan (x-as) uitgezet tegen het volume van de cel. Wat kan er worden afgelezen aan deze grafiek? (T2)

a)

Als het volume toeneemt, neemt de oppervlakte van een cel af.

b)

Medium cellen (medium cells) zijn in feite kleiner dan kleine cellen (small cells).

c)

Grote cellen (large cells) hebben ongeveer dezelfde ratio van oppervlakte tot volume als kleine cellen (small cells).

d)

De medium cellen (medium cells) hebben een kleinere ratio van oppervlakte tot volume dan de grote cellen (large cells).

3.

Het celmembraan ... (R)

a)

... heeft poriën net als het kernmembraan.

b)

... laat water door.

c)

... laat zuurstof door.

d)

... bevat geen eiwitten.

4.

De plant in de afbeelding heeft bladeren waarvan de uiteinden groen zijn en het midden rood. Waar vindt in het blad vindt fotosynthese plaats? (R)

a)

Alleen in het groene deel van het blad

b)

Alleen in het rode deel van het blad

c)

In het hele blad

d)

Nergens in het blad

5.

In de afbeelding wordt osmose schematisch weergegeven. Aan de linkerkant is de beginsituatie te zien. Waarom is het aannemelijk dat het de rechterkant nog niet de eindsituatie is? (T1)

a)

Uiteindelijk komt er aan beide kanten van het bekerglas evenveel water.

b)

De linkerkant van het bekerglas heeft nog steeds een lagere osmotische waarde.

c)

Het water heeft de top van het bekerglas nog niet bereikt.

d)

De linkerkant van het bekerglas heeft nog steeds een hogere osmotische waarde.

6.

Naomi is een week op vakantie geweest. Als ze thuiskomt, hangen al haar planten slap. Ze geeft ze snel een scheut water en na een uur staan de meeste planten weer rechtop. De plantencellen zijn van één fase naar een andere fase gegaan. Welke? (T1)

a)

Van plasmolyse naar turgor

b)

Van turgor naar plasmolyse

c)

Van grensplasmolyse naar plasmolyse

d)

Van grensplasmolyse naar turgor

7.

Antibiotica doden bacteriën. Soms overleven een aantal bacteriën antibiotica. Deze bacteriën kunnen gaan delen tot ze een nieuwe kolonie hebben gevormd. Wat is het gevolg? (T1)

a)

De bacteriën zijn nu onsterfelijk.

b)

De bacteriën zijn nu resistent tegen antibiotica en kunnen niet meer bestreden worden.

c)

De bacteriën zijn nu resistent tegen één antibioticum en moeten worden bestreden met een ander antibioticum.

d)

De bacteriën kunnen nu het antibioticum gebruiken als voeding.

8.

Hoe goed begrijp je het onderwerp cellen? Maak de zin af: als ik nu een toets moest maken over cellen ...

a)

... zou ik alle vragen goed kunnen beantwoorden.

b)

... zou ik de meeste vragen goed kunnen beantwoorden.

c)

... zou ik een aantal vragen goed kunnen beantwoorden.

d)

... zou ik geen enkele vraag goed kunnen beantwoorden.