wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Inleiding in de biologie thema 1

Total questions: 171

Worksheet time: 2hrs 39mins

Name
Class
Date
1.
Een Organisme is......
a)
Iets wat nooit geleefd heeft
b)
Een levend wezen
c)
Een onderdeel van het menselijk lichaam
d)
De leer van het leven
2.
Iets wat  geleefd heeft ,noemen we .....
a)
levend
b)
levenloos
c)
dood
d)
bewegend
3.
Deze houten tafel is.....
a)
Levend
b)
Levenloos
c)
dood
d)
geen van de genoemde 3
4.
Deze spiegel is.......
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van de genoemde 3
5.
Dit gebakken eitje is.......
a)
levend
b)
dood
c)
levenloos
d)
geen van de genoemde 3
6.
Dit lammetje is.....
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van genoemde 3
7.
Iets wat nooit geleefd heeft noemen we...... 
a)
dood
b)
levenloos
c)
levend
d)
geen van de 3 
8.
Wat zijn levenskenmerken?
a)
Hieraan kun je zien of iets dood is
b)
Hieraan kun je zien of iets levenloos is
c)
Hieraan kun je zien of iets waar is
d)
Hieraan kun je zien of iets leeft
9.
Tot de levenskenmerken behoren.......
a)
groeien,ademhalen,ruiken
b)
ademhalen,zich voeden,lopen
c)
uitscheiden,bewegen,ademhalen
d)
voortplanten,groeien,horen
10.

In Biologie Leer Je Over ________

a)
Persoonlijke Gevoelens
b)
Lichaams-Delen
c)
Levende Wezens
11.
Wat Is Dit
Blz:29
a)
Een Lengte-doorsnede Peer
b)
Een Buiten-aanzicht peer
c)
Een Dwars-doorsnede Peer
12.
Wat is geen levenskenmerk?
a)
Uitscheiden
b)
Voeden
c)
Slapen
13.
Het hart is een voorbeeld van een organenstelsel
a)
Juist
b)
Onjuist
14.
Van groot naar klein is het Organisme - Orgaan - Organenstelsel - Weefsel - Cel
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Weefsel is...
a)
Een groep cellen met dezelfde vorm en functie
b)
Verschillende organen met dezelfde functie
c)
Tussencelstof
d)
Een cel zonder functie
16.
Een orgaan is een deel van je lichaam
a)
zonder taak
b)
met een eigen taak
c)
met een samenwerkingstaak
d)
en dat is het dan
17.
De taak van je hart is het bloed
a)
uit het lichaam pompen
b)
op het lichaam pompen
c)
in het lichaam pompen
d)
door het lichaam pompen
18.
Deze organen zijn bezig met je ademhaling
a)
je hart, je longen, je luchtpijp, je neus
b)
je neus, je mond, je slokdarm, je luchtpijp
c)
je neus, je mond, je luchtpijp, je longen
d)
je neus, je mond, je luchtpijp, je hart
19.
Welk deel van het lichaam is een orgaanstelsel?
a)
de maag
b)
het oog
c)
het skelet
d)
de slokdarm
20.
Hiermee hoor je
a)
je ogen
b)
je oren
c)
je neus
d)
je handen
21.
Organen die samenwerken, vormen een
a)
orgaanset
b)
orgaanstel
c)
orgaanstelsel
d)
samenwerking
22.
Hart en bloedvaten samen is
a)
het spijsverteringsstelsel
b)
het bloedvatenstelsel
c)
het ademhalingsstelsel
d)
het skelet
23.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

24.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

25.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

26.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

27.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

28.

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een aspirinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken. Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

Niks

b)

Een glas water

c)

Een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

d)

Een vergelijkbaar tabletje zonder aspirine

29.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

30.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

31.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

32.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

33.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

34.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

35.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

36.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

37.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

38.
Wat is de functie van de celkern
a)
speelt een rol bij de eiwitsynthese
b)
 stofwisseling aansturen in de cel 
c)
Leveren energie aan de cel
d)
zorgt voor vertering van stoffen in de cel
39.

Deze afbeelding is een voorbeeld van...

a)

osmose

b)

diffusie

c)

geleide diffusie

d)

actief transport

40.

Na een heerlijk lang bad blijken je vingers verschrompeld. Dit is een voorbeeld van...

a)

actief transport

b)

diffusie

c)

osmose

41.
Hoeveel chromosomen heeft een levercel van een mens?
a)
23
b)
48
c)
46
d)
16
42.

Welke bewering is juist?

a)

In de celkern liggen lange dunne draden DNA.

b)

Chromosomen bestaan alleen uit DNA.

c)

Chromosomen komen nooit in paren.

d)

DNA is niet opgebouwd uit de nucleotide A, T, C en G.

43.

Een celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen.

a)

Juist

b)

Onjuist

44.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

45.
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
a)
Niks
b)
Een glas water
c)
Een glaswater met opgelost een vergelijkbaar tabletje
d)
Een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
46.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
47.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

48.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
49.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
50.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

51.

De stevigheid van dierlijke cellen ontstaat door stevige celwanden. Juist of onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

52.

Een leerling bestudeert met zijn microscoop cellen van een rok van een ui in een druppel gedestilleerd water. Daarna wil hij intacte rode bloedcellen bestuderen. Hij moet de rode bloedcellen in een druppel van een zoutoplossing met een bepaalde concentratie leggen en niet in een druppel gedestilleerd water. Waarom is dit verschil in behandeling nodig?

a)

Omdat cellen van een ui geen celmembraan hebben en rode bloedcellen wel

b)

omdat de osmotische waarde van de cellen van een ui hoger is dan die van rode bloedcellen

c)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water opzwellen en vervolgens knappen en cellen van een ui niet

d)

omdat rode bloedcellen in gedestilleerd water een te grote hoeveelheid zouten door e celmembraan naar buiten laten gaan en cellen van een ui niet

53.

Uit een aardappel worden enkele staafjes gesneden. De staafjes zijn even lang en even dik. Ze worden in verschillende suikeroplossingen gelegd. Een dag later wordt de lengte van de staafjes gemeten. Het resultaat hiervan is weergegeven in het diagram van de afbeelding. Ook de lengte van de staafjes voor de proef is in het diagram weergegeven. Bij welke van de in het diagram aangegeven suikerconcentraties is de turgor van de aardappelcellen het hoogst?

a)

Bij concentratie P

b)

Bij concentratie Q

c)

Bij concentratie R

d)

Bij concentratie S

54.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie

c)

De cellen van de sla nemen water op door osmose

d)

De cellen van de sla geven water af door osmose

55.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Welke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

56.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

57.

Wat zijn de twee belangrijkste verschillen tussen een plantaardige cel en een dierlijke cel?

a)

Plantaardige cellen hebben een celwand en chloroplasten, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

b)

Plantaardige cellen hebben een celkern en een grote vacuole, terwijl dierlijke cellen dat niet hebben.

c)

Plantaardige cellen hebben geen mitochondriën en cytoplasma, terwijl dierlijke cellen dat wel hebben.

d)

Er zijn geen verschillen tussen beiden.

58.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

59.

juist of fout: De snelheid van diffusie en van osmose zal toenemen als de temperatuur verhoogt wordt.

a)

juist, omdat alle moleculen sneller gaan bewegen door toenemende temperatuur

b)

fout, omdat dit enkel geldt voor diffusie

c)

fout, omdat het bij osmose omgekeerd is

d)

juist, omdat bij diffusie en osmose dezelfde stoffen getransporteerd worden.

60.

Welk organel zorgt in de cel voor de energievoorziening?

a)

ribosoom

b)

mitochondrium

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi systeem

61.

In het cytoplasma van een zenuwcel is de kalium concentratie (K+ ionen) veel hoger dan buiten de cel. Welk manier van transport maakt dit mogelijk?

a)

diffusie

b)

actief transport

c)

passief transport

d)

osmose

62.

Een bepaalde plantencel heeft turgor die maximaal is. Hij verandert niet meer van grootte.

Is de osmotische waarde buiten de cel groter dan, kleiner dan of gelijk aan de osmotische waarde in de cel?

a)

groter

b)

kleiner

c)

gelijk

63.

Onder de electronenmicroscoop ziet een analist cellen die opvallend veel mitochondrien bevatten. Welk type cellen zou dit kunnen zijn?

a)

spiercellen

b)

speekselklier cellen

c)

darmcellen

d)

huidcellen

64.

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina denkt dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

65.

Wat is het hoofdbestanddeel van onderdeel 7?

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

fosfolipiden

d)

cellulose

66.

O2 verplaatst zich van de longen naar het bloed bij een inademing. Het transport verloopt via diffusie. Dit is een vorm van...

a)

passief transport, het kost ATP

b)

passief transport, het kost GEEN ATP

c)

actief transport, het kost ATP

d)

actief transport, het kost geen ATP

67.

In de afbeelding zie je een ader (blauw) langs de nierbuis afstromen (geel). De wanden van deze vaten zijn semi-permeabel. Alleen water kan erdoor. Welke pijl is de juiste weergave van de richting waarin de waterdeeltjes zich verplaatsen door osmose?

a)

Pijl A

b)

Pijl B

68.

Een plantencel wordt 24 uur in gedestilleerd water gelegd. De osmotische waarde van het vacuole-vocht komt daarna overeen met die van een 0,8% NaCl-oplossing. Vervolgens wordt deze cel overgebracht naar een oplossing die 0,8% NaCl bevat.

Enkele minuten later worden de turgor en de osmotische waarde gemeten.


Zijn de osmotische waarde en de turgor veranderd nadat de cel naar de 0.8% NaCl oplossing is overgebracht?

a)

De osmotische waarde is toegenomen, de turgor is afgenomen

b)

De osmotische waarde is afgenomen, de turgor is toegenomen

c)

De osmotische waarde is gelijk gebleven, de turgor is gelijk gebleven

d)

De osmotische waarde is gelijk gebleven, de turgor is afgenomen

e)

De osmotische waarde is toegenomen, de turgor is gelijk gebleven

69.
Wat betekend biologie?
a)
De leer van het leven
b)
De leer van de aarde
c)
De leer van het menselijk lichaam
d)
Een schoolvak heeft geen betekenis
70.
Wat is asfalt?
a)
Levenloos
b)
Levend
c)
Dood
71.
Wat is geen levenskenmerk?
a)
Voeden
b)
Bewegen
c)
Slapen
d)
Voortplanten
72.
Virussen vertonen alle levenskenmerken behalve voeden. Is het dan levend?
a)
Ja
b)
Nee, een virus is dood
c)
Nee, een virus is levenloos
73.
Wat betekent ontwikkelen?
a)
Het optreden van veranderingen in de bouw van een organisme
b)
Het groter en zwaarder worden van een organisme
c)
Geen van beide
d)
Allebei
74.
In welk stadium van gedaanteverwisseling zit een rups.
a)
Ei
b)
Larve
c)
Pop
d)
Volwassen dier
75.
Cellen kunnen verschillende vormen hebben.
a)
Juist
b)
Onjuist
76.
Bouw van een cel van buiten naar binnen
a)
celmembraan, organellen, cytoplasma
b)
cytoplasma, organellen, celmembraan
c)
celmembraan, cytoplasma, organellen
77.
Diffusie = het verplaatsen van stoffen op basis van concentratieverschillen
a)
Juist
b)
Onjuist
78.
Wat is de functie van de celkern
a)
speelt een rol bij de eiwitsynthese
b)
 stofwisseling aansturen in de cel 
c)
Leveren energie aan de cel
d)
zorgt voor vertering van stoffen in de cel
79.
Hydrofiel =
a)
watervasthoudend
b)
vetvasthoudend
c)
waterafstotend
d)
vetafstotend
80.
Een orgaan is opgebouwd uit identieke weefsels die samenwerken.
a)
Juist
b)
Onjuist
81.
Een cel heeft een hydrofiele en een hydrofobe laag. Hydrofiel van buiten en hydrofoob van binnen. 
a)
Juist
b)
Onjuist
82.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
83.
Deze cellen hebben een celmembraan.
a)

Dierlijke cellen

b)
Plantaardige cellen
c)
Beide de soorten cellen
d)
Allebei niet
84.
Deze cellen hebben organellen.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Bacteriële cellen
d)
Dierlijke en plantaardige cellen
85.

Deze cellen hebben een celwand.

a)

Dierlijke cellen

b)

Plantaardige cellen

c)

Allebei de soorten cellen

d)

Allebei niet

86.
Deze cellen hebben een grote centrale vacuole.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten cellen 
d)
Allebei niet
87.
Deze cellen kunnen plastiden hebben.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten
d)
Allebei niet
88.
Deze cellen kunnen weefsels vormen.
a)
Dierlijke cellen
b)
Plantaardige cellen
c)
Allebei de soorten
d)
Allebei niet
89.

Je ziet hier de onderdelen van een cel. Welk nummer hebben de ribosomen?

a)

3

b)

5

c)

6

d)

8

90.

De buitenzijde van een cel is:

a)

Hydroloog

b)

Hydrofoob

c)

Hydrofiel

d)

Hydrozygoot

91.

Wat is de functie van de kern?

a)

energiemotor

b)

regelaar, door DNA

c)

kernplasma vervoeren

d)

bezit de erfelijke informatie

92.

Wat is de functie van Endoplasmatisch reticulum (ER)?

a)

transport van stoffen in de cel

b)

transport van stoffen naar buiten de cel

c)

aanmaak eiwitten

d)

stevigheid geven aan een cel

93.

Wat is de functie van een ribosoom?

a)

Aanmaak van eiwtten

b)

stevigheid geven aan de cel

c)

energiemotor

d)

vervoer van stoffen in een cel

94.

Wat is de functie van het golgi systeem?

a)

Vervoer van eiwitten naar buiten de cel

b)

aanmaak eiwitten

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

aanmaak lysosomen

95.

Wat is de functie van een mitochondrium?

a)

energiemotor

b)

fotosynthese bedrijven

c)

aanmaak van ATP

d)

transport van stoffen in een cel

96.
Noem de functie van chloroplasten
a)
Hier vindt fotosynthese plaats.
b)
het geven van kleur aan bloemen, rijpe vruchten en bladeren.
c)
Dient als opslagruimte voor reservevoedsel.
97.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

ER

b)

Golgi complex

c)

Chloroplast

d)

Centrosoom

98.

Wat wordt hier afgebeeld bij nummer 1?

a)

Cytoplasma

b)

Cytosol

c)

Kernplasma

d)

Stroma

99.

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Lysosoom

b)

Chloroplast

c)

RER

d)

Mitochondrie

100.

Dit celorganel vormt de grens tussen de cel en zijn omgeving en speelt een belangrijke rol bij de regeling van stoffen die in en uit de cel gaan.

a)

celmembraan

b)

kernmembraan

c)

celwand

d)

golgi complex

101.

In dit celorganel wordt water, voedingsstoffen, mineralen en kleurstoffen opgeslagen. Bij planten is dit celorganel meestal groot.

a)

celkern

b)

vacuole

c)

mitochondrie

d)

lysosoom

102.

Welk celorganel is typisch voor plantaardige cellen?

a)

celmembraan

b)

celkern

c)

celwand

d)

cytoplasma

103.

Welke functie heeft het RER?

a)

Glucose aanmaken uit zonlicht

b)

Energiecentrale van de cel

c)

Controlecentrum van de cel

d)

Synthese van eiwitten

104.

Welke organen zien we hier in het rood?

a)

Longen

b)

Nieren

c)

Alvleesklier

d)

Bloedvaten

105.

Bij welk orgaanstelsel past de volgende omschrijving?


Heeft als functie (taak) het voedsel kleiner maken.

a)

Het ademhalingsstelsel

b)

Het bloedvatenstelsel

c)

Het beenderstelsel

d)

Het verteringsstelsel

106.

Nummer 4 is..

a)

de maag

b)

de lever

c)

een buikspier

d)

een nier

107.

Nummer 8 is...

a)

de slokdarm

b)

de luchtpijp

c)

een bronchie

d)

de holle ader

108.

Dit is een dwarsdoorsnede van...

a)

de buikholte net onder de longen

b)

de borstholte

c)

de buikholte (ter hoogte van de navel)

109.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
110.

De vorm van een orgaan wordt bepaald door de functie van het orgaan

a)

waar

b)

niet waar

111.

Met welke letter wordt de nier aangegeven?

a)

P

b)

Q

c)

R

112.

De huid is een:

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Orgaanstelsel

113.

Welke delen spelen een rol bij de stevigheid van een plantaardige cel?

a)

1

b)

3

c)

5

d)

6

e)

7

114.

Wanneer een cel heel actief is, zal de cel veel zuurstof verbruiken. Bij zuurstofgebrek zullen alle organellen in de cel minder goed functioneren.


Welke organellen worden bij zuurstofgebrek als eerste in hun functie geremd?

a)

Bladgroenkorrels

b)

De celkern

c)

Mitochondriën

d)

Ribosomen

115.

Bij welke van de genummerde delen heb je de grootste kans ribosomen aan te treffen, of is dat niet te zeggen?

a)

Bij 1 en 5, want veel ribosomen liggen tegen het endoplasmatisch reticulum aan.

b)

Bij 4, want veel ribosomen liggen los in de celkern

c)

Bij 7, want veel ribosomen liggen tegen het golgisysteem aan.

d)

Dat is niet te zeggen, het verschilt per cel

116.

3 is het

a)

cytovlasma

b)

cytoklasma

c)

cytoplasma

d)

cytospalma

117.

16 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

118.

11 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

celkern

119.

18 is de

a)

celwand

b)

vacuole

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

120.

15 is de

a)

celwand

b)

celmembraam

c)

cytoplasma

d)

bladgroenkorrel

121.

Je ziet hier

a)

een plantencel en een schimmelcel

b)

een plantencel en een bacteriecel

c)

een plantencel en een dierlijke cel

d)

twee plantencellen

122.

Plantencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

123.

Dierencellen hebben als enige

a)

geen celwand

b)

geen celkern

c)

wel bladgroenkorrels

d)

wel pukkels

124.
Cellen kunnen verschillende vormen hebben.
a)
Juist
b)
Onjuist
125.
Bouw van een cel van buiten naar binnen
a)
celmembraan, organellen, cytoplasma
b)
cytoplasma, organellen, celmembraan
c)
celmembraan, cytoplasma, organellen
126.

Welk onderdeel van de cel regelt wat er in de cel gebeurd?

a)

Celkern

b)

Kernmembraan

c)

Cytoplasma

d)

Bladgroenkorrels

127.

Welk onderdeel van de plantaardige cel maakt fotosynthese mogelijk?

a)

Vacuole

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celwand

d)

Celkern

128.
Juist of onjuist?

Een groep cellen met dezelfde bouw en taak heet een orgaanstelsel
a)
Juist
b)
Onjuist
129.

De juiste volgorde van klein naar groot is...

a)

Cel --> Weefsel --> Orgaan --> Orgaanstelsel --> Organisme

b)

Organisme --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Weefsel --> Cel

c)

Cel --> Orgaan --> Weefsel --> Organisme --> Orgaanstelsel

d)

Weefsel --> Cel --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Organisme

130.

Een orgaan is een...

a)

deel van het lichaam met een bepaalde taak

b)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Groep organen die samenwerken aan een grotere taak

131.

wat is de definitie van een weefsel?

a)

een cel met een bepaalde kleur en functie

b)

een groep cellen met dezelfde kleur en vorm

c)

een groep cellen met dezelfde kleur en functie

d)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

132.

Op welk plaatje is een dierlijke cel te zien?

a)
b)
c)
d)
133.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

134.

In een aardappel zitten bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

135.

In de groene delen van een plant kan fotosynthese plaatsvinden.

a)

Waar

b)

Niet waar

136.

Alléén een dierlijke cel heeft een celmembraan.

a)

Waar

b)

Niet waar

137.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

138.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

dit zijn organellen die zorgen voor de energievoorziening in een cel

b)

dit zijn de organellen die helpen bij het maken van eiwitten

c)

dit zijn de organellen die voor de fotosynthese zorgen

d)

hierin ligt het DNA opgeslagen

139.

Welke hoort er NIET bij de plastiden?

a)

zetmeelkorrels

b)

suikerkorrels

c)

bladgroenkorrels

d)

kleurstofkorrels

140.

De ribosomen helpen de cel bij het maken van eiwitten.

a)

Waar

b)

Niet waar

141.

Welk onderdeel van de cel zie je hier?

a)

De cel

b)

Plastide

c)

Mitochondrium

d)

Vacuole

142.

welk soort dierlijk weefsel zie je hier?

a)

botweefsel

b)

spierweefsel

c)

zenuwweefsel

143.

wat is de definitie van een weefsel?

a)

een cel met een bepaalde kleur en functie

b)

een groep cellen met dezelfde kleur en vorm

c)

een groep cellen met dezelfde kleur en functie

d)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

144.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

145.

In een aardappel zitten bladgroenkorrels

a)

Waar

b)

Niet waar

146.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

147.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

dit zijn organellen die zorgen voor de energievoorziening in een cel

b)

dit zijn de organellen die helpen bij het maken van eiwitten

c)

dit zijn de organellen die voor de fotosynthese zorgen

d)

hierin ligt het DNA opgeslagen

148.

De celwand is een onderdeel van de cel.

a)

Waar

b)

Niet waar

149.

Welk onderdeel van de cel zie je hier?

a)

De cel

b)

Plastide

c)

Mitochondrium

d)

Vacuole

150.

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern. Dit organisme is een..

a)

Dier

b)

Plant

c)

Bacterie

d)

Schimmel

151.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

152.

Biologen bestuderen eigenschappen op verschillende niveaus in de biologie. Op elk hoger organisatieniveau verschijnen nieuwe eigenschappen die (a)   eigenschappen worden genoemd.

153.

Op welk organisatieniveau onderzoek je in de biologie als je op het niveau van de foto aan het onderzoeken bent?

a)

Molecuul

b)

Cel

c)

Weefsel

d)

Orgaan

154.

Kijk naar de afbeelding. Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

Celmembraan

b)

Chloroplast

c)

Ruw endoplasmatisch reticulum

d)

Mitochondrium

155.

Bekijk de afbeelding. Wat is de functie van onderdeel 4?

a)

Eiwitsynthese

b)

Transport van stoffen

c)

Regeling stofwisseling

d)

Energie vrijmaken

156.

In welke plastiden vindt de fotosynthese plaats?

a)

In de chloroplasten

b)

In de leukoplasten

c)

In de chromoplasten

d)

In de zetmeelkorrels

157.

Het celmembraan bestaat uit een dubbele laag van ...

(a)  

158.

Wanneer je een skelet van een kip bestudeert ben je bezig op het niveau van een.,,,

a)

Weefsel

b)

Orgaan

c)

Orgaanstelsel

d)

Organisme

159.
Heeft een bacterie een celkern?
a)
Ja
b)
Nee
160.

Welke onderdelen hebben een plantencel wel maar een dierlijke cel niet? (er zijn meer antwoorden goed)

a)

celmembraan

b)

bladgroenkorrels

c)

celwand

d)

mitochondriën

e)

vacuole

161.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben

162.

Wat is de functie van de mitochondriën?

a)

dit zijn organellen die zorgen voor de energievoorziening in een cel

b)

dit zijn de organellen die helpen bij het maken van eiwitten

c)

dit zijn de organellen die voor de fotosynthese zorgen

d)

hierin ligt het DNA opgeslagen

163.

De celwand is een onderdeel van de cel.

a)

Waar

b)

Niet waar

164.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk orgaan is nummer 4?

a)

borstwervel

b)

long

c)

hart

d)

rib

165.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk orgaan is nummer 7?

a)

nier

b)

maag

c)

aorta

d)

lever

166.
Welk onderdeel heeft een dierlijke cel niet?
a)
Kern
b)
Celmembraan
c)
Celwand
d)
Cytoplasma
167.
Wat is de juiste volgorde van groot naar klein?
a)
Organenstelsel - Organisme - Weefsel - Cellen
b)
Organisme - Organenstelsel - Weefsel - Cellen
c)
Organisme - Organenstelsel - Organen - Weefsel - Cellen
d)
Organenstelsel- Organisme - Organen
168.

Een groep organen die samen een bepaalde functie hebben is een ......

a)

Cel

b)

Weefsel

c)

Orgaan

d)

Organenstelsel

e)

Organisme

169.

Wat is het verschil tussen het ruw ER en het glad ER?

a)

Er is geen verschil tussen beiden

b)

Plantaardige cellen hebben een ruw ER, dierlijke cellen hebben een glad ER.

c)

Het glad ER maakt eiwitten aan, het ruw ER verpakt ze in blaasjes

d)

Op de buitenkant van het ruw ER zitten ribosomen, op het glad ER niet.

170.

Wat doen lysosomen?

a)

maken eiwitten

b)

kunnen moleculen afbreken

c)

is een onderdeel van het celmembraan

d)

zet DNA om in RNA

171.

Wat zijn organellen?

a)

Het zelfde als een orgaan, zoals een lever of hart

b)

Dit zijn de organen van een plant

c)

een groep cellen met dezelfde vorm en functie

d)

de delen van een cel die een eigen functie hebben