WorksheetsWerkwoordenstruikeltaakje 4 (verleden tijd)
Total questions: 113
Worksheet time: 2hrs 53mins
Ik (abonneren) (a) me vorig jaar op Netflix.
Gandhi (zitten) (a) in eerste klas in de trein in Zuid-Afrika.
Hij (antwoorden) (a) nooit met geweld.
Die dief (breken) (a) het raam met een hamer.
De Nijl (stromen) (a) elk jaar in september buiten zijn oevers.
Mama (maken) (a) een appelcake voor mijn verjaardag.
Camiel (zingen) (a) prachtig in The Voice Kids.
Die Brugse club (verliezen) (a) hun Europese wedstrijd.
De buffels (vluchten) (a) weg voor de leeuwen.
Na het sporten (drinken) (a) de volleybalster wel een liter water!
Papa (verkopen) (a) mijn fiets op een tweedehands website.
De deelnemers (luisteren) (a) naar de tip voor de code voor level 2.
De wolf (verdwijnen) (a) een lange periode uit onze bossen.
Onze familie (wonen) (a) tot voor kort nog in België.
Die jongen (komen) (a) naast me zitten op het bankje in het park.
Mijn GSM (werken) (a) niet meer zo goed na de update.
Louise-Ann (dromen) (a) ervan om bij de NASA te gaan werken.
Jenns (rijden) (a) mee in de gravelwedstrijd.
Ik (horen) (a) niet goed wat je zei.
Wouter (zwemmen) (a) 10 kilometer in de Damse Vaart.
Emile (spelen) (a) opnieuw een barslechte wedstrijd.
Dennis (fietsen) (a) de laatste ronde nog met veel energie.
De ouders (rekenen) (a) op de trainer.
Elk groepje (lezen) (a) een deeltje uit de cursus voor.
Yassine (hangen) (a) zijn jas nooit aan de kapstok.
Op reis in Frankrijk (donderen) (a) het enorm luid.
Rado (engageren) (a) zich om de beginnende leden te trainen.
De geitjes (huppelen) (a) door het frisse gras.
De kinderen (lachen) (a) heel hard om die mop.
Verbaasd (kijken) (a) hij naar de juf.
Opa (rusten) (a) elke middag in de zetel.
Opa (vertellen) (a) fascinerende verhalen over zijn jeugdjaren.
Nadat Fien uit het water kwam, (bibberen) (a) ze van de kou.
Sabrina en Fieke (dansen) (a) in dezelfde dansschool.
Juf (zuchten) (a) na het foute antwoord van Saartje.
Mediashop (verhogen) (a) net voor de solden de prijs van deze tablet.
Meester en zijn kinderen (fietsen) (a) de Mont Ventoux op.
Hij (besteden) (a) heel veel tijd aan zijn hobby.
Wij (feliciteren) (a) Rambo met zijn overwinning.
Dit huis in de straat (branden) (a) vorige week volledig uit.
Mijn grote neef (verwaarlozen) (a) zijn studies.
Juf Fabienne (staan) (a) nog eens voor de klas in het zesde leerjaar.
De toeristen (zonnen) (a) op het strand van Middelkerke.
Na de match (gaan) (a) de meisjes nog wat drinken in de cafetaria.
Ik (voelen) (a) een schok door mijn lichaam gaan.
Frank (haasten) (a) zich snel naar het toilet.
De juf (verbieden) (a) te luisteren naar muziek tijdens het typen.
Farah (vertalen) (a) de schoolbrief naar het Arabisch.
Wij (eten) (a) met de hele klas van de zelfgemaakte appelcake.
Nilay (kaften) (a) zijn schoolboeken.
Er (woeden) (a) een felle ruzie op Snapchat.
De ontvoerder (binden) (a) Kiekeboe vast aan een stoel.
Heel wat mensen (vluchten) (a) weg uit Oekraïne.
Denkey en Thiago (treffen) (a) samen 4 keer de paal tijdens de Brugse derby.
We (zwaaien) (a) vanuit de bus naar onze ouders.
De leerkrachten (bespreken) (a) welke sanctie ze die pestkop gaan opleggen.
In groepjes van 5 (dansen) (a) we mee met Just Dance.
Loewis (zoeken) (a) urenlang naar zijn potlood.
Nica (wissen) (a) de foto van de tablet.
Papa (strijken) (a) voor het eerst zijn hemden.
De meester (verzetten) (a) de banken in een andere klasopstelling.
Alec (wachten) (a) tevergeefs op zijn vriendinnetje.
Meester Ewout (verwachten) (a) zijn eerste kindje.
Lukaku (scoren) (a) zijn 100e doelpunt voor de Rode Duivels.
De scheidsrechter (blazen) (a) het eindsignaal.
Dit (kunnen) (a) de slachtoffers niet weigeren.
De zon (verblinden) (a) me op de weg.
De verpleegster (troosten) (a) het zieke meisje.
En plots (staan) (a) ik naast Coely in de Subway.
Joffrey (zien) (a) net op tijd de aanstormende auto.
Louise (plannen) (a) haar studiewerk goed in.
De politie (houden) (a) de moordenaar van Tupac na 27 jaar eindelijk aan.
Alain (logeren) (a) dit weekend in Parijs.
Het nieuws (worden) (a) steeds beter.
Ringo (testen) (a) positief op corona.
De boer (bemesten) (a) het perceel met zijn tractor.
De politieagente (schieten) (a) de jongeman neer.
Het (schijnen) (a) dat deze foto fake was.
De juf (duiden) (a) de fout met rood aan.
De meisjes (komen) (a) veel te laat aan.
De douane (controleren) (a) de koffers met een scanner.
Usain Bolt (schieten) (a) uit de startblokken.
Wij (overwinnen) (a) onze vliegangst.
Jean (stelen) (a) het geld van Ghassem.
Mijn oma (overlijden) (a) aan een hartinfarct.
De imam (slachten) (a) elk jaar een schaap bij hem thuis.
Ik (blozen) (a) toen het meisje naar knipoogde.
De huistaak van Lou (ontbreken) (a) opnieuw op Classroom.
Bobby (breken) (a) de bloempot in de tuin.
Amy Winehouse (sterven) (a) op veel te jonge leeftijd.
De duif (landen) (a) op de vensterbank van de klas.
De kinderen (zoeken) (a) de code tijdens de escaperoom.
Ik (herkennen) (a) Anthony niet meer na zijn ongeval.
Thaisa (verplaatsen) (a) het bestand naar een andere Drivemap.
Anly (besteden) (a) veel tijd aan het maken van deze taak.
De paarden (rennen) (a) mee met het peloton.
Wij (proberen) (a) goed op te letten tijdens de les godsdienst.
Vroeger (sluiten) (a) de leerkrachten de klas niet, nu wel.
De scheidsrechter (fluiten) (a) de penalty weeral niet.
Ik (ontmoeten) (a) de kroonprinses in Brussel.
Meester Ewout (lopen) (a) de marathon van Nieuwpoort in 2 uur en 37 minuten!
De beren (eten) (a) de zalm allemaal op.
Het zesde (voetballen) (a) tijdens de speeltijd op het veldje.
Thaisa (genieten) (a) van haar overwinning.
De ministerraad (besluiten) (a) om meer te investeren in cybersecurity.
Mijn grootouders (bouwen) (a) een zwembad in hun tuin.
Elvis (verlaten) (a) het gebouw.
Voor een opdracht (lezen) (a) de kinderen een informerende tekst over gerbils.
Mijn ouders (praten) (a) met de meester.
Ik (bereiden) (a) een lekkere veganpasta.
Wij (schrijven) (a) een brief naar de burgemeester.
Nina (springen) (a) perfect van de rekstokken.
Juf Meagan (gaat) (a) mee op Kemmelklassen.
