Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Industriële revolutie

Total questions: 15

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Waarom moest de productie in de textielnijverheid opgedreven worden?

a)

Er waren goedkopere grondstoffen

b)

Er was meer vraag naar kledij

c)

Er waren meer arbeiders beschikbaar

d)

Er was meer bevolking

2.

Waarom waren de koloniën belangrijk voor de industrie?

a)

Levering van grondstoffen

b)

Arbeiders vanuit die gebieden kwamen werken in de fabrieken

c)

Zij beschikten over kennis van de nieuwe machines

d)

De bevolking kon groeien dankzij de export van voedsel

3.

waarom begon de industrialisatie als eerste in Engeland?

a)

Doordat er veel goedkope arbeiders woonden

b)

Door de grote voorraad steenkool

c)


Doordat er nog geen vakbonden bestonden

d)


Doordat er veel goedkope arbeiders woonden

4.

Waarom verhuisden mensen massaal van het plattenland naar steden?

a)

Er was veel werk te vinden in de stad

b)

Hun familie woonde daar al

c)

Mensen hadden last van het lawaai van de trein

d)


Het werd saai op het plattenland

5.

Waar werden fabrieken vooral gebouwd?

a)

Ver buiten de stad

b)

Op het platteland

c)

Aan het water

d)

In het centrum van de stad

6.

In welk land begonnen ze als eerste met het bouwen van fabrieken?

a)

Nederland

b)


Duitsland

c)


Frankrijk

d)

Groot-Brittannië

7.

De industriële Revolutie begon in de 18de eeuw 

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Wat is industrialisatie?

a)


Veel mensen werkten in de fabriek, maar ging nu meer kantoorwerk doen.

b)

Geen fabrieksarbeiders meer nodig, er komen meer robots.

c)

Overgang van handarbeid naar machines en opkomst van fabrieken

9.

Wat is huisnijverheid?

a)

Buitenspelen

b)

In de fabriek werken

c)

Producten die voor in huis worden gemaakt

d)

Thuis werken in de winter, spullen maken

10.

Een kernbegrip bij het liberalisme is gelijkheid.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Door wie werden de werkomstandigheden van de fabrieksarbeiders verbeterd?

a)


Vakbonden

b)

Regering

c)

Arbeiders

d)

Werkgevers

12.

Welk begrip hoort bij de onderstaande omschrijving?

De opkomst van productie in fabrieken.

(a)  

13.

Wat was het gevolg van de industrialisatie?

a)


Een bevolkingsafname

b)


Een bevolkingstoename

14.

Waarom moest de productie in de textielnijverheid worden verhoogd?

a)

Er waren goedkopere grondstoffen beschikbaar.

b)


Er was meer bevolking en dus meer vraag naar kledij.

c)

Er waren meer arbeiders beschikbaar.

15.

Welke zin is juist?

a)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen op het platteland, en werken ze in fabrieken

b)

In de industriële samenleving wonen de meeste mensen in steden en de meeste mensen werken in fabrieken