Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippen hoofdstuk 2 + 3.3

Total questions: 93

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

indeling van niveaus waarop het leven kan worden bestudeerd

(a)  

2.

groep individuen van dezelfde soort

(a)  

3.

bepaald gebied met alle daarin levende én niet levende onderdelen

(a)  

4.

nieuwe eigenschap die ontstaat op een hoger niveau door samenwerking van onderdelen op een lager niveau

(a)  

5.

een onderdeel van een cel met een bepaalde functie

(a)  

6.

eigenschappen van leven

(a)  

7.

buitenste laag van een dierlijke cel; bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden

(a)  

8.

onderdeel van de celmembraan; komt hierin voor als dubbele laag: (a)   - molecuul

9.

eiwit in de celmembraan waar stoffen door worden vervoerd

(a)  

10.

eiwit op de buitenzijde van het celmembraan dat als herkenning dient

(a)  

11.

vloeistof waarmee een cel gevuld is

(a)  

12.

ruimte omgeven door kernmembraan met poriën; bevat DNA

(a)  

13.

via deze gaatjes verlaat RNA de celkern

(a)  

14.

organel dat aminozuren aan elkaar koppelt tot eiwitten

(a)  

15.

algemene naam voor blaasje dat eiwitten vervoert (binnen de cel of de cel uit)

(a)  

16.

bijzonder transportblaasje: bevat enzymen om grote deeltjes en oude organellen af te breken

(a)  

17.

netwerk van membranen dat eiwitten transporteert en sorteert

(a)  

18.

netwerk van membranen dat eiwitten vouwt en transporteert

(a)  

19.

organel waar energierijke moleculen worden afgebroken: levert energie

(a)  

20.

grote moleculen in celkern met informatie voor het maken van eiwitten

(a)  

21.

naam voor bouwstenen van DNA- en RNA-moleculen

(a)  

22.

onderdeel van een nucleotide in de varianten: A, T, C, G en U

(a)  

23.

deel van een DNA-molecuul met informatie voor één eiwit

(a)  

24.

molecuul dat informatie voor één eiwit van celkern naar ribosoom brengt

(a)  

25.

stikstofbase die alleen in RNA voorkomt

(a)  

26.

suikermolecuul in RNA-bouwstenen

(a)  

27.

suikermolecuul in DNA-bouwstenen

(a)  

28.

een ander woord voor: het produceren van eiwitten

(a)  

29.

combi van 3 stikstofbasen in RNA met informatie voor één aminozuur

(a)  

30.

AUG is het ...

(a)  

31.

codon die aangeeft dat het ribosoom klaar is, er wordt geen aminozuur ingebouwd

(a)  

32.

verandering in een DNA-molecuul (door bijv. UV-straling)

(a)  

33.

mutatie waarbij één stikstofbase verandert

(a)  

34.

opeenvolging van fases in een delende cel: G1, S, G2, M

(a)  

35.

onderdeel van interfase met plasmagroei + voorbereiding op S-fase

(a)  

36.

periode waarin DNA-replicatie plaatsvindt

(a)  

37.

onderdeel van interfase met plasmagroei + voorbereiding op mitose

(a)  

38.

fase waarin geen celdeling plaatsvindt of een cel specialiseert

(a)  

39.

verdeling van de kern, bestaande uit: pro-, meta-, ana- en telofase

(a)  

40.

periode waarin de volgende fases plaatsvinden: G1-fase + S-fase + G2-fase

(a)  

41.

in cel worden bepaalde genen wel/niet actief: cel krijgt bepaalde vorm en functie. Dit is cel (a)  

42.

het verdubbelen van een DNA-molecuul

(a)  

43.

proces waarbij DNA wordt omgezet in RNA

(a)  

44.

proces waarbij het ribosoom het RNA afleest en een aminozuurketen maakt

(a)  

45.

het sterk oprollen van een chromosoom

(a)  

46.

sterk opgerold DNA, gewonden rondom eiwitten: zichtbaar bij mitose

(a)  

47.

een van de identieke helften van een verdubbeld DNA-molecuul

(a)  

48.

onderdeel dat twee chromatiden aan elkaar verbindt

(a)  

49.

fase uit mitose: chromosomen worden zichtbaar en kern verdwijnt

(a)  

50.

fase uit mitose: chromosomen liggen in midden cel, er zijn trekdraden

(a)  

51.

fase uit mitose: chromatiden worden uit elkaar getrokken

(a)  

52.

fase uit mitose: er ontstaat een nieuwe celkernmembraan

(a)  

53.

periode in de celcyclus waarin een cel in twee dochtercellen splitst

(a)  

54.

genen die de activiteit van andere genen regelen

(a)  

55.

de balans van de celcyclus is verstoord: een cel deelt té snel. Dit noem je (a)   celdeling

56.

gezwel van cellen die zich ongecontroleerd delen: goed- óf kwaadaardig

(a)  

57.

kwaadaardige tumor die zich door het lichaam kan verspreiden

(a)  

58.

ringvormig DNA-molecuul in bacteriën

(a)  

59.

het aanpassen van DNA in een bepaald organisme

(a)  

60.

het gebruiken van organismen om stoffen te produceren

(a)  

61.

cellen die niet gespecialiseerd zijn met het vermogen te blijven delen

(a)  

62.

een cel maakt zichzelf kapot als er fouten worden ontdekt

(a)  

63.

organisme waarbij de cel geen celkern bevat

(a)  

64.

onderdeel rondom de cel; biedt stevigheid aan de cel

(a)  

65.

organismen die anderen moeten eten om aan hun voedingsstoffen te komen

(a)  

66.

organisme waarbij de cel wel een celkern bevat

(a)  

67.

groepsnaam voor type korrels, blaasjesvormige organellen in plantencellen

(a)  

68.

rode kleurkorrel

(a)  

69.

celorganel waarmee een plantencel met behulp van licht fotosynthese kan uitvoeren; ander woord voor bladgroenkorrel

(a)  

70.

opslagkorrel voor zetmeel

(a)  

71.

organisme die zelf hun eigen voedingsstoffen kunnen maken

(a)  

72.

proces waarbij een glucose en zuurstof wordt gemaakt

(a)  

73.

kleurstof in de vacuole

(a)  

74.

onderdeel cel; biedt stevigheid aan de cel + met vocht gevulde blaas in de cel

(a)  

75.

buitenste laag van een dierlijke cel; bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden

(a)  

76.

verzamelnaam voor alle vormen van transport waarbij geen energie nodig is

(a)  

77.

verzamelnaam voor alle vormen van transport waarbij wel energie nodig is

(a)  

78.

een vorm van passief transport waarbij moleculen zich van een plek met hoge concentratie verplaatsen naar een plek met een lage concentratie

(a)  

79.

bijzondere vorm van diffusie waarbij watermoleculen zich van een plek met een lage osmotische waarde verplaatsen naar een met een hoge osmotische waarde

(a)  

80.

eiwit in de celmembraan waar stoffen door worden vervoerd

(a)  

81.

het opnemen van stoffen via celmembraanblaasjes: de cel in

(a)  

82.

het afgeven van stoffen via celmembraanblaasjes: de cel uit

(a)  

83.

totale hoeveelheid opgeloste deeltjes per mL/L/…

(a)  

84.

een bepaalde plek heeft een hogere osmotische waarde dan een ander plek

(a)  

85.

een bepaalde plek heeft een lagere osmotische waarde dan een ander plek

(a)  

86.

een bepaalde plek heeft een zelfde osmotische waarde als een ander plek

(a)  

87.

volledig doorlaatbaar membraan: ... membraan

(a)  

88.

niet doorlaatbaar membraan: ... membraan

(a)  

89.

sommige stoffen kunnen wél door de membraan, sommige niet: een ... membraan

(a)  

90.

bij dit membraan regelt de cel welke stoffen kunnen passeren door het openen/sluiten van transporteiwitten. Een ... membraan

(a)  

91.

de celinhoud drukt tegen de celwand: de cel is daardoor stevig

(a)  

92.

verschijnsel waarbij de cel(membraan) nog nét niet loslaat van de celwand

(a)  

93.

verschijnsel waarbij de cel(membraan) loslaat van de celwand

(a)