wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Regeling 4m

Total questions: 47

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
2.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
3.
De grijze kleur van de (vlindervormige) stof in het ruggenmerg wordt veroorzaakt door:
a)
Uitlopers van motorische zenuwcellen.
b)
Uitlopers van sensorische zenuwcellen.
c)
Schakelcellen.
d)
Uitlopers van schakelcellen.
4.

Waar of niet waar? Je bent pas bewust van iets van buitenaf als het signaal in je grote hersenen is verwerkt

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Twee leerlingen doen elk een bewering over schade aan delen van het zintuigenstelsel en het zenuwstelsel.

Mariam zegt: 'Door schade aan een zintuig kunnen in dit zintuig wellicht geen impulsen meer ontstaan.'

June zegt: 'Door schade aan de hersenstam kan verlamming van het gehele lichaam ontstaan.' Wie heeft gelijk?

a)

Mariam heeft gelijk

b)

June heeft gelijk

c)

geen van beiden heeft geljk

d)

beiden hebben gelijk

6.

De ooglidreflex kan ook optreden als de buitenste laag van de ogen te droog wordt. De zenuwuiteinden in de buitenste laag van het oog worden dan geprikkeld.


Van welk type zenuwcellen maken deze zenuwuiteinden deel uit?

a)

van bewegingszenuwen

b)

van gevoelszenuwen

c)

van schakelcellen

7.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

8.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

9.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

10.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

11.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

12.
Wat is een reflex?
a)
Vaste, snelle, onbewuste reactie
b)
Trage reactie
c)
Bewuste reactie
13.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
14.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
15.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
16.
Een persoon heeft een trage werkende schildklier. Wat gebeurt er met zo'n iemand? 
a)
Zo'n persoon word rusteloos
b)
Zo'n persoon vermagert sterk
c)
Bij zo'n persoon is de verbranding van cellen laag.
d)
Bij zo'n persoon is er veel verbranding van de cellen
17.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
18.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
19.
Welke groep mensen loopt het meeste kans op diabetes? 
a)
Ouderen 
b)
Jongeren
c)
Mensen met overgewicht
d)
Baby's
20.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
21.

Welke hormoonklier reguleert de concentratie van bloedsuikers

a)

De geslachtsklieren

b)

De alvleesklier

c)

De bijschildklieren

d)

De hypofysevoorkwab

22.

Een zenuwcel geleidt impulsen naar spieren in de pink.

Waar ligt het cellichaam van deze zenuwcel?

a)

in de arm

b)

in de hand

c)

in de pink

d)

in het centraal zenuwstelsel

23.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

24.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

25.

Maak de volgende zin af:

Geluid is een

a)

zintuig

b)

waarneming

c)

prikkel

d)

impuls

26.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

27.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

28.

Gebruik je zenuwen bij het betalen van je boodschappen?

a)

ja

b)

nee

29.

Waaruit bestaat het centraal zenuwstelsel?

a)

Uit hersenen en het ruggenmerg

b)

Uit het ruggenmerg en zenuwen

c)

Het ruggenmerg en zenuwcellen

d)

Uit zenuwen en zenuwcellen

30.

Een zenuwcel geleidt impulsen naar spieren in de pink.

Waar ligt het cellichaam van deze zenuwcel?

a)

in de arm

b)

in de hand

c)

in de pink

d)

in het centraal zenuwstelsel

31.

Bevinden zenuwen zich alleen in het zenuwstelsel?

a)

ja

b)

nee

32.

Zijn prikkels elektische signalen?

a)

ja

b)

nee

33.

Welk antwoord geeft de juiste 5 zintuigen aan?

a)

ogen, oren, mond, neus, huid, handen

b)

ogen, mond, oren, huid, neus

c)

ogen, oren, mond, huid, neus, voeten

d)

ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel

34.
Je zintuigen nemen
a)
taken waar
b)
mensen waar
c)
prikkels waar
d)
iets op
35.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
36.

Een impuls vanuit een zintuig gaat via je zenuwen naar

a)

je zintuigen

b)

je botten

c)

je spieren

d)

je hersenen

37.
Zenuwen komen samen in
a)
je spieren
b)
je hersenen
c)
je ruggenmerg
d)
je skelet
38.

Maak de volgende zin af:

Je neemt pas bewust waar, als de impulsen

a)

in je hersenen zijn aangekomen

b)

onderweg zijn naar je hersenen

c)

in je ruggenmerg zijn aangekomen

d)

in je spieren zijn aangekomen

39.

Maak de volgende zin af:

Geluid is een

a)

zintuig

b)

waarneming

c)

prikkel

d)

impuls

40.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
41.

Welk onderdeel van de neus geeft het vraagteken aan?

a)

Neusholte

b)

Neus-slijmvlies

c)

Reukharen

d)

Zintuigcellen

42.

Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De hersenen en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, de hersenstam en de zenuwbanen

43.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

44.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

45.

De zenuwcel die weergegeven is in de afbeelding is een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

46.

Een prikkel wordt in het lichaam omgezet in een soort stroompje. Dit gebeurt in een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

d)

zintuigcel

47.

De weg van een impuls gaat over een aantal banen. De juiste volgorde van het ontstaan van een prikkel tot de actie is:

a)

prikkel-bewegingszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-spier

b)

prikkel-zintuigcel-impuls-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-schakelzenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

impuls-zintuigcel-ruggenmerg-schakelzenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-spier