wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets elektriciteit (§6.1 en 6.3 2H)

Total questions: 53

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

Welke onderdelen zijn een spanningsbronnen (meerdere antwoorden zijn goed)

a)

Accu

b)

Dynamo

c)

Generator

d)

Schakelaar

2.

Wat is een generator?

a)

Een hele grote dynamo

b)

Een hele grote batterij

c)

Een windmolen

3.

Hoeveel stroomkringen zijn op de afbeelding te zien?

a)

één

b)

twee

c)

drie

d)

geen

4.

Met welk meet-apparaat kan je zien hoeveel energie er in een gebouw wordt gebruikt?

a)

Ampère-meter

b)

Stroom-meter

c)

Kilowatt-uur-meter

5.

Wat is de eenheid van spanning?

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Watt

6.

Wat is de eenheid van stroomsterkte?

a)

Ampère

b)

Volt

c)

Watt

7.

Bij een tv wordt elektrische energie omgezet in.... (twee antwoorden zijn goed)

a)

Warmte

b)

Geluid

c)

Licht

d)

Beweging

8.

Zijn metalen goede geleiders?

a)

Ja

b)

Nee

9.

Wat is geen isolator?

a)

Plastic

b)

Rubber

c)

Goud

d)

Beton

10.

Zijn de lampjes op de afbeelding in een serie geschakeld of parallel?

a)

Serie

b)

Parallel

11.

Zijn de lampjes op de afbeelding in een serie geschakeld of parallel?

a)

Serie

b)

Parallel

12.
Welke soort batterij zie je hier?
a)
Knoopcel batterij
b)
Penlite AA batterij
c)
Blok batterij
d)
Staaf batterij
13.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
14.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
15.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt?  Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
16.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
17.
Wat betekent het volgende symbool?
a)
Lampje
b)
Batterij
c)
Schakelaar
d)
Meter
18.
Welke schakeling staat op het plaatje?
a)
Serieschakeling
b)
parallelschakeling
c)
hotelschakeling
d)
gemengde schakeling
19.
Hoeveel batterijen zijn er nodig om een spanning te maken van 9 Volt?
(een batterij geeft ongeveer 1,5 Volt
a)
4
b)
5
c)
6
d)
7
20.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
21.
In de figuur zijn 3 dezelfde lampjes aangesloten op een batterij van 4,5 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Alle lampjes branden even fel.
b)
Het rechter lampje brandt het felst.
c)
Het rechter lampje brand het zwakst.
d)
Kan je niet weten omdat de stroomsterkte niet gegeven is.
22.
5 identieke lampjes zijn aangesloten op een batterij van 9 Volt.
Welke stelling is juist?
a)
Lampjes 1 en 2 branden het felst.
b)
Lampjes 3, 4 en 5 branden het felst.
c)
Alle lampjes branden even fel.
d)
Kan je niet weten want de stroomsterkte is niet gegeven.
23.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
24.

Koper is een

a)

goede elektrische geleider

b)

slechte elektrische geleider

25.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
26.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
27.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
28.

Stroom kan alleen lopen in een .......... stroomkring. WAT MOET ER OP DE STIPPELLIJN STAAN?

a)

Open

b)

Gesloten

c)

Onderbroken

29.
Onderdelen in een schakelschema worden getekend met....
a)
Symbolen
b)
Schematische tekeningen
c)
Afbeeldingen van het onderdeel
30.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
31.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

32.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

33.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

34.

De eenheid van spanning is?

(a)  

35.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
36.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

37.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

38.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

39.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt?  Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
40.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
41.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
42.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
43.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
44.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
45.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
46.

Om te voorkomen dat de stroomsterkte in een stroomkring te groot wordt, gebruik je een automatische

(a)  

47.

Een parallelschakeling heeft altijd ... stroomkringen?

a)

1 of meer

b)

2 of meer

c)

3 of meer

d)

altijd meer dan 5

e)

Niet genoeg gegevens

48.

Juist of onjuist:

Er loopt stroom in een gesloten stroomkring, waarin een batterij zit.

a)

Juist

b)

Onjuist

49.

Wat betekent symbool 4?

(a)  

50.

De schakelaar wordt gesloten.

Je draait lampje 1 los.

Blijft het andere lampje branden?

Antwoord met ja of nee

(a)  

51.

Welk soort schakeling is dit?

a)

Serieschakeling

b)

parallelschakeling

52.

Welk lampje(s) brand(en) als je schakelaar 1 opent?

a)

Lampje 1

b)

Lampje 2

c)

Lampje 1 en 2

53.

Beide schakelaars zijn gesloten.

Je draait lampje 1 los.

Blijft lampje 2 branden?

Antwoord met ja of nee

(a)