wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofstuk 7 - Voeding

Total questions: 55

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

2.
Op de afbeelding zien we:
a)
Voedingsmiddelen
b)
Voedingsstoffen
3.
Zijn vetten bouwstoffen?
a)
Ja
b)
Nee
4.
Is water een voedingsstof?
a)
Ja
b)
Nee
5.
Wat is/zijn de functie(s) van vetten?
a)
Bouwstof
b)

Energierijke stof

c)

Beschermende stof

6.
Wat is/zijn de functie(s) van koolhydraten
a)

Bouwstof

b)

Energierijke stof

c)
Beiden
d)
Geen van beiden
7.
Wat is/zijn de functie(s) van mineralen?
a)

Bouwstof

b)

Energierijke stof

c)
Beiden
d)
Geen van beiden
8.

Alle producten die je eet of drinkt noem je

a)

Voedingsproducten

b)

Voedsel

c)

Voedingsmiddelen

9.

Welke zin over voedingsvezels is juist

a)

voedingsvezels kunnen niet worden verteerd

b)

Voedingsvezels zorgen voor energie

c)

Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen

d)

Voedingsvezels is een voedingstof

10.

Wat is waar over de voortplanting van bacterien en schimmels?

a)

Bacterien vermeerderen door celdeling; schimmels door sporen

b)

Bacterien en schimmels vermeerderen beide door celdeling

c)

Bacterien en schimmels vermeerderen beide door sporen

d)

Bacterien vermeerderen zich door sporen; schimmels vermeerderen door celdeling

11.

Hieronder staan twee beweringen:

I. Door voedsel te drogen kun je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels niet kunnen leven zonder zuurstof.

II. Door voedsel vacuum te verpakken kan je het langer houdbaar maken, omdat bacterien en schimmels dan heel langzaam groeien

a)

Alleen I is waar

b)

Alleen II is waar

c)

I en II zijn beide waar

d)

I en II zijn beide niet waar

12.

Welk van de volgende stoffen zijn energierijke stoffen?

a)

Koolhydraten en vetten

b)

Koolhydraten en eiwitten

c)

Eiwitten en vetten

d)

Koolhydraten en eiwitten

13.

Deze stof hoopt zich op in de bloedvaten bij het eten van te veel vetten.

a)

Cholesterol

b)

Caffeine

c)

Taurine

d)

Fluoride

14.

Welke twee mineralen zijn nodig voor sterke botten?

a)

Calcium en fosfor

b)

Calcium en ijzer

c)

Fosfor en ijzer

d)

Forsfor en fluoride

15.

Dit mineraal is nodig voor gezonde bloedcellen

a)

Ijzer

b)

Fosfor

c)

Calcium

d)

Fluoride

16.

Welke stoffen zijn beschermende stoffen?

a)

Vitamines en mineralen

b)

Vitamines en vetten

c)

Mineralen en vetten

d)

Mineralen en water

17.

Deze vitamine zit veel in fruit (vooral citrusvruchten) en ook in groente.

a)

Vitamine C

b)

Vitamine A

c)

Vitamine B

d)

Vitamine D

18.

Tom doet een experiment. Hij heeft twee buisjes; één met zetmeel, één zonder zetmeel. Hij voegt de indicator toe aan beide buisjes. Er treedt een kleurverandering op. Welke indiactor heeft Tom toegevoegd? Wat zal de kleur zijn van het buisje ZONDER zetmeel?

a)

Jodium; geel

b)

Jodium; blauw

c)

DCPIP; geel

d)

DCPIP; blauw

19.
In welk voedingsmiddel zitten de meeste koolhydraten?
a)
pasta
b)
appels
c)
vis
d)
boter
20.
wat is je BMI?
a)
de verhouding tussen je lengte en je gewicht
b)
een maat voor gezond gewicht per leeftijd
c)
een instelling die bepaald hoeveel je mag eten per dag
21.
Waarvan is de hoeveelheid eten die je per dag nodig hebt afhankelijk?
a)
leeftijd
b)
lengte
c)
geslacht
d)
alle drie
22.
Wanneer eet je gezond?
a)
als je minder eet dan dat je verbruikt
b)
als je alle voedingstoffen binnen krijgt
c)
als je niet te vet eet
d)
al je niet te zout eet
23.
1 glas melk bevat 150 mlHoeveel gram calcium krijg je binnen met 3 glazen melk?
a)
600 g
b)
0,6 g
c)
900 g
d)
0,9 g
24.

waar of niet waar?

volwassen mensen groeien niet meer zij hebben dan ook geen bouwstoffen meer nodig.

a)

waar

b)

niet waar

25.

waarom hebben volwassen mensen wel bouwstoffen nodig?

a)

Om cellen die afsterven te kunnen vervangen

b)

Om energie te krijgen voor activiteiten

c)

om ziektes te bestrijden

26.

water is een …. stof

a)

energierijke

b)

beschermende

c)

bouw

27.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
28.
In het vak van vlees, vis en zuivel  zit(ten) veel
a)
vetten
b)
zetmeel
c)
voedingsvezel
d)
eiwitten
29.

Dit wordt gemaakt in de lever en niet in de galblaas

a)

speeksel

b)

alvleessap

c)

gal

d)

maagsap

30.

Dit sap maakt bacteriën dood

a)

alvleessap

b)

maagsap

c)

gal

d)

darmsap

31.

dit sap maakt van grote vetdruppels kleine vetdruppels

a)

maagsap

b)

gal

c)

alvleessap

d)

speeksel

32.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

33.

Nummer 7 is de

a)

maag

b)

dunne darm

c)

lever

d)

alvleesklier

34.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

35.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

36.

verteerde voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed in nummer

a)

2

b)

3

c)

11

d)

9

37.

Water wordt terug opgenomen in het lichaam in nummer

a)

11

b)

9

c)

3

d)

2

38.

de galblaas is nummer

a)

7

b)

8

c)

6

d)

10

39.

Deze voedingsstoffen moeten wel verteerd worden

a)

mineralen water en vet

b)

eiwitten vet en vitamines

c)

eiwitten vet en koolhydraten

d)

koolhydraten eiwitten en water

40.

De juiste weg waarlangs je eten gaat is(goed kijken, extra tijd!)

a)

2-3-7-8-12

b)

2-5-6-7-9

c)

2-4-6-11-12

d)

2-3-5-9-11-12

41.

De kneedbewegingen van je darm zijn de (goed lezen!)

a)

periklastische bewegingen

b)

perilastische bewegingen

c)

peristaltische bewegingen

d)

sperliatische bewegingen

42.

Vertering is

a)

lekker eten

b)

eten uitpoepen

c)

eten klein maken

d)

voedingsstoffen klein maken

43.

De wand van de dunne darm bestaat uit darmvlokken en

a)

darmlippen

b)

darmplooien

c)

darmvliezen

d)

darmpjes

44.

Het laatste stukje darm

a)

slokdarm

b)

dunne darm

c)

endeldarm

d)

dikke darm

45.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

46.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimumtemperatuur?

a)

10 graden

b)

35 graden

c)

50 graden

47.

Iemand maakt een schema van de werking van enzymen (zie de afbeelding). Hierbij geldt: E = enzym en V = voedingsstof waarop het enzym inwerkt.

Kan dit schema de enzymwerking juist weergeven?

a)

ja

b)

nee

48.

De mens gebruikt voedingsvezels voor de vorming van cellen en weefsels.

a)

juist

b)

onjuist

49.

In het product in de afbeelding komen veel voedingsvezels voor.

Juist. Onjuist.

a)

juist

b)

onjuist

50.

Wat is de functie van verteringsklieren?

a)

Hier vindt opname van stoffen plaats.

b)

Hier vindt vertering plaats.

c)

Hier worden verteringssappen gemaakt.

51.

Worden vitaminen eerst verteerd voordat ze worden opgenomen?

a)

ja

b)

nee

52.

Kikkers zijn amfibieën. Hun spijsverteringsstelsel vertoont echter veel overeenkomst met dat van een zoogdier. In de afbeelding zie je organen in het lichaam van een kikker.

Welke letter geeft de lever aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

53.

Welke van de volgende organen maken verteringssappen?

a)

Alvleesklier

b)

Darmsapklier

c)

Lever

d)

Maagsapklier

e)

Speekselklier

54.

Worden mineralen eerst verteerd voordat ze worden opgenomen?

a)

ja

b)

nee

55.

In de mondholte wordt het voedsel door het gebit in kleine stukjes verdeeld.

Wat is daarvan de functie voor het verteren van het voedsel?

a)

Hierdoor kan het voedsel beter door de darm worden verplaatst.

b)

Hierdoor kunnen enzymen beter op het voedsel inwerken.

c)

Hierdoor zit je minder snel vol en kun je meer eten.