wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

No toques las obras de arte

Total questions: 45

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Aburrido

a)

b)

2.

Siempre

a)

nooit

b)

altijd

c)

soms

3.

mil

a)

100

b)

150

c)

1000

4.

rápido

a)

langzaam

b)

snel

5.

me bajo

a)

b)

6.

Wat betekent de repente?

(a)  

7.

demasiado dinero

a)

weinig geld

b)

veel geld

c)

teveel geld

8.

Puedo hablar español

a)

ik kan Spaans spreken

b)

ik moet Spaans spreken

c)

ik wil Spaans spreken

9.

el oro

a)

b)

10.

de wereld

a)

el mundo

b)

el oso

11.

hago una tarta

a)

ik koop een taart

b)

ik eet een taart

c)

ik maak een taart

12.

por supuesto

(a)  

13.

no me importa

a)

ik vind het niet leuk

b)

het maakt me niet uit

c)

het geeft niks

14.

welk woord van hoofdstuk 2 bevindt zich op het gezicht?

(a)  

15.

wat betekent de titel van het boek? ¡No toques las obras de arte!

a)

Kijk niet naar die schilderijen!

b)

Raak de schilderijen net aan!

16.

El sueño

a)

de klok

b)

de droom

17.

Sonríe

a)

b)

18.

El brazo

a)

het been

b)

de arm

19.

oscuridad

a)

b)

20.

Tontería

a)

onzin

b)

dicht

21.

Los ojos y las pestañas

a)

de ogen en de wenkbrauwen

b)

de wimpers en de wenkbrauwen

c)

de ogen en de wimpers

22.

Conmigo

a)

met mij

b)

met jou

23.

hardop

(a)  

24.

Dentro del cuadro

a)

Onder het schilderij

b)

Naast het schilderij

c)

Binnen het schilderij

25.

Parece

a)

Het lijkt

b)

Hij glimlacht

26.

Parece

a)

Het lijkt

b)

Hij glimlacht

27.

La mano

a)

b)

28.

La voz

a)

de droom

b)

de stem

29.

Al principio

a)

Aan het einde

b)

Aan het begin

c)

Altijd

30.

Ojalá betekent 'Hopelijk' en het komt van het Arabisch woord Inshallah

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Oigo una voz

a)

Ik hoor een geluid

b)

Ik hoor een stem

32.

Caminar

a)

b)

33.

Quizás...

a)

Misschien

b)

Nooit

34.

Me pongo una camiseta

a)

Ik koop een t-shirt

b)

Ik trek mijn t-shirt uit

c)

Ik doe een t-shirt aan

35.

Es una broma

a)

Het is een leugen

b)

Het is een grap

36.

Dejan de correr

a)

Ze blijven rennen

b)

Ze stoppen met rennnen

37.

¿Quién tiene un bigote?

a)

b)

38.

La botella está vacía

a)

De fles is leeg

b)

De fles is vol

39.

Salvador Dalí fue un pintor del siglo XX

a)

had

b)

was

c)

ging

40.

Dali vivió en Cap de Creus

a)

woonde

b)

zal wonen

c)

woont

41.

Estábamos en el museo

a)

we hadden

b)

we gingen

c)

we waren

42.

Yo el amuleto

a)

Ik zie

b)

Ik zag

c)

Ik koop

43.

Todo estaba oscuro

a)

was

b)

had

c)

zag

44.

No podía ver nada

a)

kan

b)

kon

45.

¿Alguien ha escuchado el nombre de Dalí?

a)

hoort

b)

heeft gehoord

c)

heeft geschreven