wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SE1 Maatschappijleer Begrippen

Total questions: 110

Worksheet time: 2hrs 35mins

Name
Class
Date
1.

Gebaseerd op feiten.

(a)  

2.

Proces waarbij de tegenstellingen tussen groepen sterker worden en ze steeds meer tegenover elkaar komen te staan.

(a)  

3.

Bewust eenzijdige informatie geven met als doel de mening van mensen te beïnvloeden.

(a)  

4.

Het proces waarbij mensen langdurig, systematisch en dwingend eenzijdige opvattingen opgedrongen krijgen met de bedoeling dat zij deze opvattingen kritiekloos overnemen.

(a)  

5.

Er van uit gaan dat bepaalde gebeurtenissen het resultaat zijn van een samenzwering tussen mensen of groepen met een kwade bijbedoeling.

(a)  

6.

Gebaseerd op een persoonlijke mening of gevoelens.

(a)  

7.

Het verschijnsel waarbij iemand maar een deel van de werkelijkheid waarneemt en vastzit in een eigen cocon, doordat websites hun aanbod afstemmen op eerder onlinegedrag.

(a)  

8.

Wiskundige formule om snel data te analyseren.

(a)  

9.

Grote hoeveelheden data.

(a)  

10.

Alles wat iemand bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten.

(a)  

11.

Het verschijnsel waarbij iemand alleen ziet wat hij of zij wil zien.



(a)  

12.

Een oordeel over iets of iemand zonder die persoon of zaak te kennen.

(a)  

13.

Hierin staan de meeste overtredingen en misdrijven.

(a)  

14.

Ernstig strafbaar feit.



(a)  

15.

Minder ernstig strafbaar feit.

(a)  

16.

Alle misdrijven die in de wet staan.



(a)  

17.

Overheidsdienst die de openbare orde en veiligheid handhaaft en informatie over strafbare feiten verzamelt.



(a)  

18.

Openbare aanklager die de leiding heeft over het opsporingsonderzoek en een straf kan eisen tegen de verdachte.

(a)  

19.

Onderzoek aan de kleding en het lichaam van een verdachte.



(a)  

20.

Opsporingsbevoegdheden.

(a)  

21.

Persoon van wie de politie een redelijk vermoeden heeft dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

(a)  

22.

De politie laat iemand stilstaan om hem te vragen naar zijn personalia.



(a)  

23.

Een persoon meenemen naar het politiebureau voor verhoor.



(a)  

24.

Onderzoek aan de kleding en het lichaam van een persoon, zonder dat er sprake is van een verdenking.

(a)  

25.

Undercover deelname van de politie aan een criminele organisatie.

(a)  

26.

Afzien van verdere rechtsvervolging.

(a)  

27.

Geldboete of taakstraf van het Openbaar Ministerie, waarbij de schuld niet vaststaat.



(a)  

28.

Een straf van het Openbaar Ministerie waarbij de schuld vaststaat.



(a)  

29.

De officier van justitie stuurt het dossier naar de rechtbank en begint een rechtszaak.

(a)  

30.

Een persoon die rechtspreekt en onderdeel is van de rechterlijke macht.



(a)  

31.

Het principe dat een persoon onschuldig is, totdat de rechter heeft vastgesteld dat het tegendeel is bewezen.



(a)  

32.

Gedragsregel die de door de overheid wettelijk is vastgelegd.



(a)  

33.

Het rechtsgebied dat de relatie tussen burger en overheid regelt. 



(a)  

34.

Het rechtsgebied dat bepaalt welk gedrag strafbaar is.



(a)  

35.

Dit rechtsgebied regelt de afspraken tussen burgers onderling.

(a)  

36.

Partijen in het burgerlijk recht, zoals burgers, verenigingen, bedrijven.

(a)  

37.

De opvattingen die mensen hebben over goed en kwaad.

(a)  

38.

Een rechtssysteem waarin burgers door grondrechten worden beschermd tegen machtsmisbruik en willekeur.

(a)  

39.

De staat moet ervoor zorgen dat iedereen zich aan de wet houdt.

(a)  

40.

Wetten beschermen burgers tegen machtsmisbruik van de overheid.



(a)  

41.

De overheid mag als enige geweld gebruiken. 

(a)  

42.

Een bestuursvorm waarbij alle macht in handen is van één persoon (dictator), een familie, een kleine groep mensen, een partij of militairen.

(a)  

43.

De meest vergaande vorm van een autoritaire staat, waarin inwoners vrijwel rechteloos zijn.



(a)  

44.

Rechterlijk college bestaande uit drie rechters dat ernstige misdrijven behandelt.

(a)  

45.

Moment waarop rechters de zaak behandelen.

(a)  

46.

Iemand die de verdachte bijstaat en verdedigt in een rechtszaak.



(a)  

47.

Als de veroordeelde of de officier van justitie het niet eens is met het vonnis, wordt de rechtszaak hier in hoger beroep opnieuw gedaan.

(a)  

48.

Hier worden de zaken in cassatie behandeld, dit is de hoogste rechter van Nederland.

(a)  

49.

Het leed dat iemand een ander heeft toegebracht moet (via de rechter) bestraft worden.



(a)  

50.

Het vooruitzicht van straf moet mensen ervan weerhouden een misdaad te plegen.



(a)  

51.

Het is de taak van de overheid om te straffen en niet die van burgers.



(a)  

52.

Met een straf of maatregel probeert de overheid het gedrag van een dader te verbeteren, zodat hij zich aanpast aan de normen van de samenleving.

(a)  

53.

De dader in de gevangenis opsluiten waardoor hij geen nieuwe misdrijven kan plegen.

(a)  

54.

Straf die de vrijheid van een persoon beperkt, bijvoorbeeld een gevangenisstraf.

(a)  

55.

Opgelegde werkstraf of gedragstraining (alleen bij jongeren).

(a)  

56.

Als straf moet een persoon een geldbedrag aan de staat betalen.



(a)  

57.

Bij het niet betalen van een geldboete krijgt een persoon gevangenisstraf.

(a)  

58.

Een straf naast de hoofdstraf die vaak te maken heeft met het gepleegde delict.

(a)  

59.

De dader krijgt een deel van de straf niet als hij zich tijdens zijn proeftijd aan bepaalde voorwaarden houdt.

(a)  

60.

Een maatregel bedoeld om de schade van een misdrijf te herstellen.



(a)  

61.

Een maatregel die opgelegd wordt wanneer iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, maar niet (geheel) verantwoordelijk gehouden kan worden omdat hij psychisch in de war was.

(a)  

62.

Het strafrecht voor jongeren van twaalf tot en met zeventien jaar.



(a)  

63.

Bij jongeren tussen de 16 en 23 jaar kiest de rechter of de verdachte wordt veroordeeld volgens het jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht.



(a)  

64.

Welk begrip hoort hier bij?

Een vraagstuk dat voldoet aan de volgende criteria:

1.      Het heeft gevolgen voor verschillende groepen in de samenleving.

2.      Mensen hebben verschillende meningen over de oorzaken en de aanpak.

3.            Het is alleen gemeenschappelijk op te lossen, waarbij de overheid meestal een rol heeft.

(a)  

65.

Welk begrip is dit?

Een oplossing waarbij alle partijen een beetje moeten toegeven.

(a)  

66.

Welk begrip hoort is dit?

Een lastige keuze uit twee dingen die niet kunnen samengaan.

(a)  

67.

Een maatschappelijk probleem waarvoor politici oplossingen bedenken.



(a)  

68.

Een bestuursvorm waarbij het volk het nemen van beslissingen overlaat aan gekozen vertegenwoordigers in het parlement.

(a)  

69.

Een land waarbij de overheid zich actief bemoeit met de welvaart en het welzijn van zijn inwoners.



(a)  

70.

Een inbraak golf in Tilburg is een maatschappelijk probleem omdat?

Kies het beste antwoord

a)

Er veel mensen mee te maken hebben

b)

Er verschillende meningen over en oplossingen voor zijn

c)

De politie zich ermee bemoeit

d)

Het aan alle drie de eisen voldoet

71.

Een feit is iets dat je kunt bewijzen.

a)

juist

b)

onjuist

72.

Een mening zonder onderbouwing door feiten is geen goede mening

a)

juist

b)

onjuist

73.

Valt er over een feit te discussiëren?

a)

nee

b)

ja

74.

Valt er over een mening te discussiëren?

a)

ja

b)

nee

75.

De pluriforme samenleving bestaat uit meerdere levensstijlen en culturen...

a)

juist

b)

onjuist

76.

Wat is een ander woord voor maatschappijleer?

a)

Land

b)

Samenleving

c)

Organisatie

77.

Een samenleving waarin verschillen tussen mensen bestaan in levensstijl, godsdienst en levensovertuiging en andere cultuurkenmerken.

(a)  

78.

Welk begrip hoort hier bij?

Een vraagstuk dat voldoet aan de volgende criteria:

1.      Het heeft gevolgen voor verschillende groepen in de samenleving.

2.      Mensen hebben verschillende meningen over de oorzaken en de aanpak.

3.            Het is alleen gemeenschappelijk op te lossen, waarbij de overheid meestal een rol heeft.

(a)  

79.

Wat zijn normen?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

80.

Wat zijn waarden?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

81.

Farmers Defense Force komt op voor de (...) van boeren.

a)

normen

b)

belangen

c)

waarden

d)

sociale cohesie

82.

Wat is zoal belangrijk voor de betrouwbaarheid van informatie?

a)

objectiviteit

b)

bronverwijzing

c)

gebruik van hoor en wederhoor

d)

controleerbaarheid

83.

De NAVO is een .... en de VN is een ....

a)

militair bondgenootschap - internationaal samenwerkingsverband

b)

internationaal samenwerkingsverband - militair bondgenootschap

c)

internationaal samenwerkingsverband - monetaire unie

d)

monetaire unie - militair bondgenootschap

84.

Wat past bij een rechtsstaat?

a)

Onbeperkt geweldsmonopolie van overheid

b)

Wetboek van strafrecht garandeert rechten burgers

c)

Fatsoensnormen zijn wettelijk vastgelegd

d)

Burgers worden beschermd tegen overheid en elkaar

85.
Wat is de voorbeeld van een norm?
a)
Je mag niet discrimineren.
b)
Gezelligheid.
c)
Eerlijkheid
d)
Veiligheid
86.
Wat bedoelen we met de dominante cultuur?
a)
De cultuur van volwassenen.
b)
De cultuur van een kleine groep mensen.
c)
De cultuur van een heel land.
d)
De cultuur van jongeren.
87.
Welke zin is juist?
a)
Cultuur is aangeboren.
b)
Cultuur verschilt per land.
c)
Cultuur bestaat uit aangeboren en aangeleerd gedrag.
88.

'Vrijheid' is een ...

a)

Waarde

b)

Norm

c)

Belang

89.

Dit zijn bepaalde principes die mensen belangrijk vinden om na te streven.

a)

Normen

b)

Waarden

c)

Belangen

90.

Begrip: Een keus tussen twee zaken die je allebei graag wilt, maar die niet allebei kunnen

a)

Socialisatie

b)

Norm

c)

Dilemma

d)

Maatschappelijk probleem

91.

'Macht' is een ....

a)

Belang

b)

Waarde

c)

Norm

92.

Een samenleving kan niet bestaan zonder regels want dan ontstaat er onveiligheid en chaos.

a)

juist

b)

onjuist

93.

Een kenmerk van een maatschappelijk vraagstuk is dat de overheid niets aan het vraagstuk doet.

a)

juist

b)

onjuist

94.

In een pluriforme samenleving zijn alle culturen gelijk aan elkaar.

a)

juist

b)

onjuist

95.

Binnen een parlementaire democratie worden de volksvertegenwoordigers gekozen door politici onder elkaar.

a)

juist

b)

onjuist

96.

Normen zijn principes die mensen belangrijk vinden in het leven.

a)

juist

b)

onjuist

97.

Waarden zijn dingen die mensen belangrijk vinden.

a)

juist

b)

onjuist

98.

Normen zijn afgeleid van waarden.

a)

juist

b)

onjuist

99.

Waarden zijn afgeleid van normen.

a)

juist

b)

onjuist

100.

Macht vastgelegd in regels noemen we informele macht.

a)

juist

b)

onjuist

101.

De sociale ongelijkheid bevordert de sociale cohesie niet.

a)

juist

b)

onjuist

102.

Niet roken op school is een geschreven regel.

a)

juist

b)

onjuist

103.

Verschil in kennis betekent dat mensen met een goede opleiding makkelijker een goed betaalde baan vinden.

a)

juist

b)

onjuist

104.

Wat zijn normen?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

105.

Wat zijn waarden?

a)

Gedragsregels

b)

Wetten

c)

Principes die je belangrijk vindt

d)

Tradities

106.

'Vrijheid' is een ...

a)

Waarde

b)

Norm

c)

Belang

107.

Begrip: Een keus tussen twee zaken die je allebei graag wilt, maar die niet allebei kunnen

a)

Socialisatie

b)

Norm

c)

Dilemma

d)

Maatschappelijk probleem

108.

'Macht' is een ....

a)

Belang

b)

Waarde

c)

Norm

109.

Tijdens de Womens March demonstreren honderden mensen voor seksegelijkheid.

Het machtsmiddel dat hierbij past is:

a)

aantal

b)

beroep

c)

geweld

d)

aanzien

110.

President Biden verteld op social media dat de mensen thuis moeten blijven van

wege een sneeuwstorm.

Het machtsmiddel dat hierbij wordt gebruikt is:

a)

functie

b)

kennis

c)

geweld

d)

aantal