wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo 4 toets onderdeel grammatica

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

zinsdelen:

Is deze zin goed in zinsdelen verdeeld?

Vanwege/de verhuizing/heeft/zij/een adreswijziging/verstuurd.

a)

ja

b)

nee

2.

Zinsdelen:

Het zinsdeel dat VOOR de persoonsvorm staat...

a)

Is altijd 1 zinsdeel

b)

Is altijd het onderwerp

c)

Is geen echt zinsdeel

3.

Zinsdelen

Mijn oma stuurde ik elke week een brief.

a)

mijn oma =

onderwerp

b)

mijn oma =

lijdend voorwerp

c)

mijn oma =

gezegde

d)

mijn oma =

meewerkend voorwerp

4.

Zinsdelen:

Wat is de BWB (bijwoordelijke bepaling)?

Ze pakte snel haar lipgloss.

a)

pakte

b)

snel

c)

haar lipgloss

d)

ze

5.

Zinsdelen:

Hoeveel BWB's (bijwoordelijke bepalingen)?

In het circus stonden vroeger olifanten verdrietig kunstjes te doen.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

6.

Zinsdelen:

Wat is het onderwerp?

Om 15:00 gaven alle kleutertjes hun juf een knuffel.

a)

om 15:00

b)

hun juf

c)

alle kleutertjes

d)

een knuffel

7.

Zinsdelen:

Wat is het lijdend voorwerp?

In de middeleeuwen dronken de mensen bizar veel wijn.

a)

in de middeleeuwen

b)

de mensen

c)

bizar veel wijn

8.

Zinsdelen:

Zit in elke zin een lijdend voorwerp?

a)

ja

b)

nee

9.

zinsdelen

Zit in elke zin een onderwerp?

a)

bijna altijd

b)

nee lang niet altijd

10.

Zinsdelen:

Welk zinsdeel is groot getypt?

Annemarie overhandigde ONS dagelijks een mooie tulp.

a)

gezegde

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

11.

Zinsdelen:

Welk zinsdeel is groot getypt?

Ik wilde TOEN graag een nieuwe telefoon hebben!

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

12.

Zinsdelen:

Welk zinsdeel is groot getypt?

IN DE MIDDELEEUWEN was alles anders.

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

13.

Zinsdelen

Welk zinsdeel is groot getypt?

Ik ZOU weleens uit mijn rol KUNNEN SCHIETEN.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

14.

Zinsdelen

Welk zinsdeel is groot getypt?

Ik LOOP weg

a)

onderwerp

b)

gezegde

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

15.

Zinsdelen:

Welk zinsdeel is groot getypt?

Tegenover de snelweg bij Apeldoorn staat EEN TANKSTATION.

a)

gezegde

b)

onderwerp

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

16.

woordsoorten

Aanwijzend of betrekkelijk voornaamwoord (grote woord)?

Het meisje DAT daar staat is lief.

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

17.

Woordsoorten:

Aanwijzend of betrekkelijk voornaamwoord? (grote woord)

De kinderen DIE daar lopen zijn klaar met school.

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

18.

Woordsoorten

Aanwijzend of betrekkelijk voornaamwoord? (grote woord)

Ik zie, dat DIE jongens daar staan!

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

19.

Woordsoorten

Aanwijzend of betrekkelijk? (grote woord)

DEZE tafels zijn vies.

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

20.

woordsoorten

aanwijzend of betrekkelijk (grote woord)?

DAT hondje ligt in de mand.

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

21.

Woordsoorten

Aanwijzend of betrekkelijk (grote woord)?

Het hondje DAT daar ligt is lief.

a)

aanwijzend

b)

betrekkelijk

22.

woordsoorten

persoonlijk of bezittelijk (grote woord)

Dat is ONZE keuze!

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

23.

woordsoorten

persoonlijk of bezittelijk (grote woord)?

Dat huis is van ONS.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

24.

woordsoorten

persoonlijk of bezittelijk (grote woord).

Dat is ONS huis.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

25.

woordsoorten

persoonlijk of bezittelijk (grote woord)

JULLIE actie was niet slim!

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

26.

woordsoorten

persoonlijk of bezittelijk (grote woord)?

JULLIE weten niet wat het antwoord is.

a)

persoonlijk

b)

bezittelijk

27.

woordsoorten

zelfstandig of bezittelijk voornaamwoord (grote woord)?

HAAR haar is heerlijk zacht.

a)

zelfstandig

b)

bezittelijk

28.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

De NEDERLANDSE overheid is streng.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

29.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

NAAST de tafel staat een tv.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

voorzetsel

d)

bezittelijk voornaamwoord

30.

Woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

IK wil dat niet.

a)

onderwerp

b)

zelfstandig naamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

werkwoord

31.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

Ik ZOU dat wel willen doen.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

werkwoord

d)

voorzetsel

32.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

Hij scheert ZICH.

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

wederkerig voornaamwoord

33.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

Ik vergis ME.

a)

voorzetsel

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

wederkerig voornaamwoord

d)

werkwoord

34.

woordsoorten

Welke woordsoort heeft het grote woord?

Wij wassen ONS.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

voorzetsel

35.

woordsoorten

Er zijn 3 wederkerige voornaamwoorden!

Elkaar, mekaar en elkander

a)

ja

b)

nee

36.

De drie lidwoorden zijn...

a)

hij, hem, zij

b)

in, op, onder

c)

de, het, een

37.

woordsoorten

Namen zoals Piet, Ajax en Milka...

a)

zijn altijd

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zijn altijd zelfstandige naamwoorden

38.

woordsoorten

woorden zoals

Nederlandse, Franse, Duitse en Friese....

a)

altijd

bijvoeglijk

b)

altijd

zelfstandig