Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Campus 1: les 10 - Schooltaalwoorden oefenen

Total questions: 30

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord is een synoniem voor uniek?

a)

alledaags

b)

buitengewoon

c)

normaal

d)

vreemd

2.

Geef een antoniem voor uitgebreid.

a)

simpel

b)

ruim

c)

beknopt

d)

ingewikkeld

3.

Geef een synoniem voor interessant.

a)

saai

b)

mooi

c)

leuk

d)

boeiend

4.

Geef een antoniem voor automatisch.

a)

zelf doen

b)
elektrisch
c)
handmatig
d)
programmatisch
5.

Welke betekenis past in de context:

Tijdens de les wetenschappelijk werk maakten we haargel. We kregen de instructies in een bundeltje.

a)

de bevelen

b)

de aanwijzingen

c)

de vooronderzoeken

d)

de recepten

6.

Welke betekenis past in de context:

De formulering van de instructies in de bundel was soms onduidelijk.

a)

de omschrijving

b)

de uitdrukking

c)

de formule

d)

de definitie

7.

Welke betekenis past in de context:

Omdat er ook stappen ontbraken, zei onze leraar dat hij de bundel zou vervolledigen.

a)

bijvullen

b)

invullen

c)

hervullen

d)

aanvullen

8.

Welke betekenis past in de context:

Aan welke criteria moet goede haargel voldoen?

a)

regels

b)

eisen

c)

normen

d)

ingrediënten

9.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

uitgebreid



(a)  

10.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

de bewering



(a)  

11.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

de formulering



(a)  

12.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

de situatie



(a)  

13.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

interessant



(a)  

14.

Geef het werkwoord dat bij dit woord hoort:

automatisch



(a)  

15.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord met dezelfde betekenis.

De soldaten bevonden zich in een hopeloze positie.

a)
toestand
b)
situatie
c)
plaats
d)
standpunt
16.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord met dezelfde betekenis.

Vond jij die uitspraak ook zo grappig?

a)
verklaring
b)

bewering

c)
verklaring
d)
woordkeuze
17.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord met dezelfde betekenis.

Hij moest uitleggen waaraan hij het geld uitgegeven had.

a)

toegeven

b)

roepen

c)

zeggen

d)
verantwoorden
18.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord met dezelfde betekenis.

Ik ben op zoek naar gegevens over kickboksen.

a)
data
b)
feiten
c)
informatie
d)

kenmerken

19.

Vervang het onderstreepte woord door een schooltaalwoord met dezelfde betekenis.

Toont hij soms belangstelling voor voetbal?

a)
aandacht
b)
interesse
c)

kennis

d)

verveling

20.

Er past slechts één van de twee woorden in de zin. Kies het juiste.

Vandaag mag je beginnen met het ... van de voorraad.

a)

aanvullen

b)

vervolledigen

21.

Er past slechts één van de twee woorden in de zin. Kies het juiste.

In deze zinnen mag je het onderwerp ... door één woord.

a)

vervangen

b)

inspringen

22.

Er past slechts één van de twee woorden in de zin. Kies het juiste.

Kunt u mij ... over de vertrektijden van de trein?

a)

vertellen

b)

informeren

23.

Er past slechts één van de twee woorden in de zin. Kies het juiste.

Na de eerste ronde werden enkele kandidaten ... . Zij gingen naar de halve finale.

a)

geselecteerd

b)

gesorteerd

24.

Er past slechts één van de twee woorden in de zin. Kies het juiste.

Miek was klein, maar kon zich op het veld al flink ... .

a)

verantwoorden

b)

verdedigen

25.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

De ... van de spelers voor de finale gebeurde op basis van talent en uithouding.

a)

bewering

b)

vervanging

c)

selectie

d)

situatie

26.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

Ook de ... had de trainer niet willekeurig gekozen. Enkel de besten mochten op de bank.

a)

vervangers

b)

geïnteresseerden

27.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

Mare ... dat ze eerst geselecteerd was.

a)

vervolledigt

b)

informeert

c)

verantwoordt

d)

beweert

28.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

Dat is niet waar, dat is een ...

(a)  

29.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

Toen de trainer dit verhaal hoorde, moest ze zich ... bij de clubleiding.

(a)  

30.

Voor deze zin gebruik je een woord uit de woordfamilie van de schooltaalwoorden.

Wat hen vooral ... , was waarom Mare dit verhaal overal vertelde.

(a)