Font size
WorksheetsKlare Taal herhaling t/m les 20
Total questions: 60
Worksheet time: 53mins
Wat zijn cijfers?
Alles van 1 tot 20
Alles van 0-9
Alles van 1-100
Alles van 1-10
In welk antwoord staat een werkwoord?
kijker
kijken
tegenover
werker
Wat is een goede zin?
hij loopt naar huis
Hij loopt naar huis
Hij loopt naar huis.
Hij loopt naar.
Waar staat het hele werkwoord?
loop
loopt
loopte
lopen
Wat is goed?
ik loop
ik loopt
wij loopt
u lopen
Thesar en Temesgen gaan verhuizen. __________ gaan in Helmond wonen.
Hij
Jullie
Zij
Wij
Kasia gaat naar oma. Ze vraagt: Gaat ______ mee naar de winkel?
u
je
jij
ze
Wat is het meervoud van : boot
botten
botten
bootten
boten
Wat is het meervoud van : bot
boten
botten
bootten
bott
Wat is het meervoud van : duif
duifen
duifje
duiven
duif
Wat is het meervoud van : stad
stadden
staden
stedden
steden
Wat is het meervoud van : piano
pianon
pianos
piano's
piano-en
Wat is hier het onderwerp: Hij pakt de bal.
Hij
pakt
de
bal
Wat is hier het onderwerp: Over twee weken hebben wij vakantie.
over
twee weken
hebben
wij
vakantie
In welke zin staat een fout? Twee antwoorden aanklikken!
De muizen eten al de kaas op.
De vakantie's zijn erg leuk.
Geef mij die parapluus even!
De golven zijn door de storm heel hoog.
De schepen varen vandaag naar Spanje.
In welke zin staat een voorzetsel?
Ik loop weg.
Ik loop heel hard.
Ik loop naar de deur.
Ik loop langzaam want ik ben moe.
Wat is geen voorzetsel?
onder
langs
achter
boven
en
Welke zin is fout?
Het schilderij hangt aan de muur.
Het schilderij hangt boven de kast.
Het schilderij hangt op de muur.
Welke zin is fout?
De hond ligt onder de tafel.
De hond ligt op de tafel.
De hond ligt voor de tafel.
De hond ligt bij de tafel.
De hond ligt tussen
de tafel.
Wat is fout?
De krant ligt op de bank.
Mijn euro ligt onder de bank.
De stoel staat naast de bank.
De tafel staat voor de bank.
Ik slaap met de bank.
De vrouw zit ____________________ de man.
naast
tussen
achter
tegenover
Wat is een vraagzin met een heel werkwoord?
Kijkt hij naar de televisie?
Wij fietsen naar Nijmegen.
Kopen zij nieuwe kleren?
Komt hij nog naar school?
Wat is geen werkwoord?
rennen
varen
zwemmen
zee
drinken
Komen _________________ morgen ook naar het AZC? Twee antwoorden!
zij
jullie
hij
u
jij
Jij bent te laat! En jij ook! __________________ mogen niet naar sport.
Zij
Jullie
Wij
Jij en jij
Wat is goed?
ik ben moe
Ik ben moe
Ik ben moe.
Wat is het meervoud? een bezem- twee ________________
bezemen
bezems
bezem's
beezems
Wat is meervoud? Een potlood- twee _____________
potlooden
potloods
potloden
potlodden
Wat is het enkelvoud? De glazen- __________________
de glas
de glaas
het glas
het glaas
Wat is meervoud? De kaart- ______________________
de karten
de kaarten
de kart
de kaarts
Wat is goed?
De bal is hier. Hij ligt in de kast.
Het schrift is vol. Hij mag mee naar huis.
Ik wacht op de trein. Het is te laat!
De boek is leuk. Het is erg spannend!
In welk antwoord zitten alleen klinkers?
a-b-c-d-e-f-g-h-i-j-k-l
b-c-d-f-g-h-k-l-m
a-e-u-i-o-y
a-f-t-e-u-i-o-y
Schrijf het meervoud.
1 fiets, 5 (a)
Schrijf het meervoud.
1 auto, 8 (a)
Schrijf het meervoud
1 kip, 7 (a)
Schrijf het meervoud.
1 vaas, 3 (a)
Schrijf het meervoud.
1 kast, 7 (a)
Schrijf het meervoud.
1 lepel, 2 (a)
Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.
(mooi). Wat een (a) huis.
Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.
(oud). De (a) mensen.
Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.
(dik) Het (a) boek.
Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.
(dom) Een (a) vraag.
Vul in: die of dat
Hij heeft ...................... spel zelf ontwikkeld
deze
Weet jij waar .................. boek ligt?
deze
Vul in: deze of dit.
Hij heeft .................... film al twee keer gezien.
dat
deze
_____broodjes zijn lekker.
die
dat
deze
____ potloden zijn nieuw.
dit
dat
deze
Emilie en Nadine houden van muziek. ......................... lievelingszanger is Demi Levato
onze
hun
Maken jullie .............. bed op?
jouw
jullie
Jij en Annie zijn vrienden van ons. Jij en Annie zijn .................. vrienden.
ons
onze
Dit is de auto van mijn tante. Dit is ........... auto.
ons
haar
Schrijf een bezittelijk voornaamwoord.
Dit zijn de laarzen van mijn nicht. Dit zijn (a) laarzen.
Schrijf een bezittelijk voornaamwoord op.
Wij wonen in Nederland. (a) dorp heet Giethoorn.
Niet of geen?
Olifanten zijn ... klein.
(a)
Niet of geen?
De hond van mijn buurman is ... mooi.
(a)
Niet of geen?
Ze zijn ... gevaarlijk.
(a)
Niet of geen?
Een koe legt ... eieren.
(a)
______ oefening maak jij vandaag?
Welk
Welke
Elk
Elke
Ik vind ____ leerling aardig.
welk
welke
ieder
iedere
_____ potlood is van jou?
Welk
Welke
Elk
Elke
