wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Klare Taal herhaling t/m les 20

Total questions: 60

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn cijfers?

a)

Alles van 1 tot 20

b)

Alles van 0-9

c)

Alles van 1-100

d)

Alles van 1-10

2.

In welk antwoord staat een werkwoord?

a)

kijker

b)

kijken

c)

tegenover

d)

werker

3.

Wat is een goede zin?

a)

hij loopt naar huis

b)

Hij loopt naar huis

c)

Hij loopt naar huis.

d)

Hij loopt naar.

4.

Waar staat het hele werkwoord?

a)

loop

b)

loopt

c)

loopte

d)

lopen

5.

Wat is goed?

a)

ik loop

b)

ik loopt

c)

wij loopt

d)

u lopen

6.

Thesar en Temesgen gaan verhuizen. __________ gaan in Helmond wonen.

a)

Hij

b)

Jullie

c)

Zij

d)

Wij

7.

Kasia gaat naar oma. Ze vraagt: Gaat ______ mee naar de winkel?

a)

u

b)

je

c)

jij

d)

ze

8.

Wat is het meervoud van : boot

a)

botten

b)

botten

c)

bootten

d)

boten

9.

Wat is het meervoud van : bot

a)

boten

b)

botten

c)

bootten

d)

bott

10.

Wat is het meervoud van : duif

a)

duifen

b)

duifje

c)

duiven

d)

duif

11.

Wat is het meervoud van : stad

a)

stadden

b)

staden

c)

stedden

d)

steden

12.

Wat is het meervoud van : piano

a)

pianon

b)

pianos

c)

piano's

d)

piano-en

13.

Wat is hier het onderwerp: Hij pakt de bal.

a)

Hij

b)

pakt

c)

de

d)

bal

14.

Wat is hier het onderwerp: Over twee weken hebben wij vakantie.

a)

over

b)

twee weken

c)

hebben

d)

wij

e)

vakantie

15.

In welke zin staat een fout? Twee antwoorden aanklikken!

a)

De muizen eten al de kaas op.

b)

De vakantie's zijn erg leuk.

c)

Geef mij die parapluus even!

d)

De golven zijn door de storm heel hoog.

e)

De schepen varen vandaag naar Spanje.

16.

In welke zin staat een voorzetsel?

a)

Ik loop weg.

b)

Ik loop heel hard.

c)

Ik loop naar de deur.

d)

Ik loop langzaam want ik ben moe.

17.

Wat is geen voorzetsel?

a)

onder

b)

langs

c)

achter

d)

boven

e)

en

18.

Welke zin is fout?

a)

Het schilderij hangt aan de muur.

b)

Het schilderij hangt boven de kast.

c)

Het schilderij hangt op de muur.

19.

Welke zin is fout?

a)

De hond ligt onder de tafel.

b)

De hond ligt op de tafel.

c)

De hond ligt voor de tafel.

d)

De hond ligt bij de tafel.

e)

De hond ligt tussen

de tafel.

20.

Wat is fout?

a)

De krant ligt op de bank.

b)

Mijn euro ligt onder de bank.

c)

De stoel staat naast de bank.

d)

De tafel staat voor de bank.

e)

Ik slaap met de bank.

21.

De vrouw zit ____________________ de man.

a)

naast

b)

tussen

c)

achter

d)

tegenover

22.

Wat is een vraagzin met een heel werkwoord?

a)

Kijkt hij naar de televisie?

b)

Wij fietsen naar Nijmegen.

c)

Kopen zij nieuwe kleren?

d)

Komt hij nog naar school?

23.

Wat is geen werkwoord?

a)

rennen

b)

varen

c)

zwemmen

d)

zee

e)

drinken

24.

Komen _________________ morgen ook naar het AZC? Twee antwoorden!

a)

zij

b)

jullie

c)

hij

d)

u

e)

jij

25.

Jij bent te laat! En jij ook! __________________ mogen niet naar sport.

a)

Zij

b)

Jullie

c)

Wij

d)

Jij en jij

26.

Wat is goed?

a)

ik ben moe

b)

Ik ben moe

c)

Ik ben moe.

27.

Wat is het meervoud? een bezem- twee ________________

a)

bezemen

b)

bezems

c)

bezem's

d)

beezems

28.

Wat is meervoud? Een potlood- twee _____________

a)

potlooden

b)

potloods

c)

potloden

d)

potlodden

29.

Wat is het enkelvoud? De glazen- __________________

a)

de glas

b)

de glaas

c)

het glas

d)

het glaas

30.

Wat is meervoud? De kaart- ______________________

a)

de karten

b)

de kaarten

c)

de kart

d)

de kaarts

31.

Wat is goed?

a)

De bal is hier. Hij ligt in de kast.

b)

Het schrift is vol. Hij mag mee naar huis.

c)

Ik wacht op de trein. Het is te laat!

d)

De boek is leuk. Het is erg spannend!

32.

In welk antwoord zitten alleen klinkers?

a)

a-b-c-d-e-f-g-h-i-j-k-l

b)

b-c-d-f-g-h-k-l-m

c)

a-e-u-i-o-y

d)

a-f-t-e-u-i-o-y

33.

Schrijf het meervoud.

1 fiets, 5 (a)  

34.

Schrijf het meervoud.

1 auto, 8 (a)  

35.

Schrijf het meervoud

1 kip, 7 (a)  

36.

Schrijf het meervoud.

1 vaas, 3 (a)  

37.

Schrijf het meervoud.

1 kast, 7 (a)  

38.

Schrijf het meervoud.

1 lepel, 2 (a)  

39.

Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.

(mooi). Wat een (a)   huis.

40.

Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.

(oud). De (a)   mensen.

41.

Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.

(dik) Het (a)   boek.

42.

Schrijf het bijvoeglijk naamwoord.

(dom) Een (a)   vraag.

43.

Vul in: die of dat

Hij heeft ...................... spel zelf ontwikkeld

a)
die
b)
dat
c)

deze

44.
Vul in: die of dat:
Weet jij waar .................. boek ligt?
a)
die
b)
dat
c)

deze

45.

Vul in: deze of dit.

Hij heeft .................... film al twee keer gezien.

a)
dit
b)

dat

c)

deze

46.

_____broodjes zijn lekker.

a)

die

b)

dat

c)

deze

47.

____ potloden zijn nieuw.

a)

dit

b)

dat

c)

deze

48.

Emilie en Nadine houden van muziek. ......................... lievelingszanger is Demi Levato

a)

onze

b)

hun

49.

Maken jullie .............. bed op?

a)

jouw

b)

jullie

50.

Jij en Annie zijn vrienden van ons. Jij en Annie zijn .................. vrienden.

a)

ons

b)

onze

51.

Dit is de auto van mijn tante. Dit is ........... auto.

a)

ons

b)

haar

52.

Schrijf een bezittelijk voornaamwoord.

Dit zijn de laarzen van mijn nicht. Dit zijn (a)   laarzen.

53.

Schrijf een bezittelijk voornaamwoord op.

Wij wonen in Nederland. (a)   dorp heet Giethoorn.

54.

Niet of geen?

Olifanten zijn ... klein.

(a)  

55.

Niet of geen?

De hond van mijn buurman is ... mooi.

(a)  

56.

Niet of geen?

Ze zijn ... gevaarlijk.

(a)  

57.

Niet of geen?

Een koe legt ... eieren.

(a)  

58.

______ oefening maak jij vandaag?

a)

Welk

b)

Welke

c)

Elk

d)

Elke

59.

Ik vind ____ leerling aardig.

a)

welk

b)

welke

c)

ieder

d)

iedere

60.

_____ potlood is van jou?

a)

Welk

b)

Welke

c)

Elk

d)

Elke