Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verwijswoorden

Total questions: 44

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
Hij heeft hen vanmorgen laten uitslapen.
a)
Hij
b)
heeft
c)
hen/hij
d)
hen
2.
Kies de juiste verwijswoorden:
De oude man, die jarig was, heeft het opgegeten.
a)
De
b)
die
c)
het
d)
die/het
3.
Wat is/zijn de verwijswoorden in onderstaande zin?Het overkwam een groep van 86 jongeren; hun schip ging kapot.
a)
van
b)
hun
c)
het
d)
het + hun
4.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De bakker heeft aan hun het brood gegeven.
a)
bakker
b)
hun
c)
het
5.
Wat is/zijn de verwijswoorden?
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
a)
daar
b)
die
c)
hun
d)
lampen
6.
Kies het juiste verwijswoord:
Hun/zij hebben geen kinderen.
a)
hun
b)
zij
7.
Kies het juiste verwijswoord:
Het meisje die/dat daar loopt, is mijn zus.
a)
die
b)
dat
8.
Kies het juiste verwijswoord:
Mijn geodriehoek is gebroken. Mag ik dat/die van jou even lenen?
a)
die
b)
dat
9.

Het centrum van Amsterdam is vannacht erg onrustig geweest. Ik heb ... vanmorgen in de krant gelezen.

a)

die

b)

het

c)

hem

d)

haar

10.

De eigenaar van de boot vaart te snel door de gracht. Er wacht een bekeuring voor ....

a)

die

b)

het

c)

hem

d)

haar

11.

De auto valt in de gracht. .... is niet meer te gebruiken.

a)

die

b)

het

c)

hem

d)

haar

12.

Er komt een vrouw aan lopen. Die auto was van .... .

a)

die

b)

het

c)

hem

d)

haar

13.

Ik hou van paarden .... ondeugend zijn.

a)

die

b)

het

c)

hij

d)

zij

14.

Eén paard maakt een koprol. .... is geen gezicht.

a)

die

b)

het

c)

hij

d)

zij

15.

Dat boek wil ik wel lezen, maar ... hier lijkt me niet zo spannend.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

16.

De patiënt, die nauwelijks nog kon lopen, bleek wel te kunnen fietsen en ... is heel opmerkelijk.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

17.

Wat vind je van deze taart? ... heeft mijn zusje van zes gebakken.

a)

Deze

b)

Die

c)

Dit

d)

Dat

18.

Ooit leefde hier veel wild, maar ... is verjaagd door de toeristen.

a)

deze

b)

die

c)

dit

d)

dat

19.

De politicus verwijt de burgerij dat ... alleen aan zichzelf denkt.

a)

hij

b)

zij

c)

het

20.

Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.

a)

hij

b)

zij

c)

het

21.

Het leger werft meer personeel, omdat ... vaker wordt ingezet.

a)

hij

b)

zij

c)

het

22.

Dit product is erg populair, ondanks de bijwerkingen die ... heeft.

a)

hij

b)

zij

c)

het

23.

Voor de renovatie zal het museum ... deuren een maand sluiten.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

24.

Wist je dat de stichting dit jaar ... honderdjarig bestaan viert?

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

25.

De Nederlandse Spoorwegen willen ... dienstverlening verbeteren.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

26.

Het bewind van de dictator heeft ... langste tijd wel gehad.

a)

zijn

b)

haar

c)

hun

27.

Heb je het boek ... je gisteren zat te lezen, al uit?

a)

die

b)

dat

c)

wat

28.

In de krant las ik een artikel over de kwestie Irak, ... zeer kritisch was over de rol van de minister-president.

a)

die

b)

dat

c)

wat

29.

Hij hielp mij gisteren met mijn huiswerk, ... erg aardig vond.

a)

die

b)

dat

c)

wat

30.

De koning sprak de olympisch kampioen toe en gaf ... een lintje.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

31.

De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf ... een lintje.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

32.

De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf een lintje aan ...

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

33.

De koning sprak de regering toe en gaf ... een compliment.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

34.

Vandaag maakten mijn buren veel lawaai, maar vandaag hoor ik ... helemaal niet.

a)

hem

b)

haar

c)

hun

d)

hen

35.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

36.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

37.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

38.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

39.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

40.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

41.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

42.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

43.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

44.

Kies het juiste verwijswoord.

De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.

a)

dat, Hun

b)

die, Hun

c)

dat, Zij

d)

die, Zij