WorksheetsVerwijswoorden
Total questions: 44
Worksheet time: 44mins
Hij heeft hen vanmorgen laten uitslapen.
De oude man, die jarig was, heeft het opgegeten.
De bakker heeft aan hun het brood gegeven.
De jongens die daar fietsen, hebben hun lampen niet aan.
Hun/zij hebben geen kinderen.
Het meisje die/dat daar loopt, is mijn zus.
Mijn geodriehoek is gebroken. Mag ik dat/die van jou even lenen?
Het centrum van Amsterdam is vannacht erg onrustig geweest. Ik heb ... vanmorgen in de krant gelezen.
die
het
hem
haar
De eigenaar van de boot vaart te snel door de gracht. Er wacht een bekeuring voor ....
die
het
hem
haar
De auto valt in de gracht. .... is niet meer te gebruiken.
die
het
hem
haar
Er komt een vrouw aan lopen. Die auto was van .... .
die
het
hem
haar
Ik hou van paarden .... ondeugend zijn.
die
het
hij
zij
Eén paard maakt een koprol. .... is geen gezicht.
die
het
hij
zij
Dat boek wil ik wel lezen, maar ... hier lijkt me niet zo spannend.
deze
die
dit
dat
De patiënt, die nauwelijks nog kon lopen, bleek wel te kunnen fietsen en ... is heel opmerkelijk.
deze
die
dit
dat
Wat vind je van deze taart? ... heeft mijn zusje van zes gebakken.
Deze
Die
Dit
Dat
Ooit leefde hier veel wild, maar ... is verjaagd door de toeristen.
deze
die
dit
dat
De politicus verwijt de burgerij dat ... alleen aan zichzelf denkt.
hij
zij
het
Ik vind de hondennaam Binky lelijk, maar ... is helemaal in.
hij
zij
het
Het leger werft meer personeel, omdat ... vaker wordt ingezet.
hij
zij
het
Dit product is erg populair, ondanks de bijwerkingen die ... heeft.
hij
zij
het
Voor de renovatie zal het museum ... deuren een maand sluiten.
zijn
haar
hun
Wist je dat de stichting dit jaar ... honderdjarig bestaan viert?
zijn
haar
hun
De Nederlandse Spoorwegen willen ... dienstverlening verbeteren.
zijn
haar
hun
Het bewind van de dictator heeft ... langste tijd wel gehad.
zijn
haar
hun
Heb je het boek ... je gisteren zat te lezen, al uit?
die
dat
wat
In de krant las ik een artikel over de kwestie Irak, ... zeer kritisch was over de rol van de minister-president.
die
dat
wat
Hij hielp mij gisteren met mijn huiswerk, ... erg aardig vond.
die
dat
wat
De koning sprak de olympisch kampioen toe en gaf ... een lintje.
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf ... een lintje.
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de olympische kampioenen toe en gaf een lintje aan ...
hem
haar
hun
hen
De koning sprak de regering toe en gaf ... een compliment.
hem
haar
hun
hen
Vandaag maakten mijn buren veel lawaai, maar vandaag hoor ik ... helemaal niet.
hem
haar
hun
hen
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.
het
hem
Kies het juiste verwijswoord.
De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.
hem
ze
Kies het juiste verwijswoord.
Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.
Deze, hem
Deze, haar
Dit, hem
Dit, haar
Kies het juiste verwijswoord.
De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.
hun, deze
hun, dit
zijn, deze
zijn, dit
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.
die, Hij
dat, Hij
die, Het
dat, Het
Kies het juiste verwijswoord.
Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.
dat, Hij
die, Hij
dat, Zij
die, Zij
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.
dat, Hun
die, Hun
dat, Zij
die, Zij
