wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Th 7 Gedrag & regeling

Total questions: 41

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

2.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls
3.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
4.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
5.
De hersenen zijn onder te verdelen in:
a)
grote hersenen  en kleine hersenen tussen tussenhersenen hersenstam
b)
grote hersenen  en tussen hersenen kleine hersenen ruggenmer
c)
grote hersenen, kleine hersenen en  hersenzenuwen
d)
Hersenstam, kleine hersenen en grote hersenen
6.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
7.

Wat is de functie van het laagje om elke uitloper in een zenuw

a)

Deze zorgen voor voeding en steun aan de zenuwcellen

b)

Deze geven stevigheid aan de uitlopers

c)

Deze geven vorm aan de uitlopers

8.

Hier en op afb.39 in je boek zie je de wervelkolom en het ruggenmerg.

Wat is de functie hier van de wervelkolom?

a)

Stevigheid bieden aan het ruggenmerg

b)

Vorm geven aan het ruggenmerg

c)

bescherming bieden aan het ruggenmerg

d)

Zorgen dat het ruggenmerg zich kan bewegen

9.

Wat wordt er aangegeven met 1

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Dendriet

d)

Axon

e)

Steuncellen

10.

Wat wordt er aangegeven met 2

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Dendriet

d)

Axon

e)

Steuncellen

11.

Wat wordt er aangegeven met 3

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Dendriet

d)

Axon

e)

isolerende laag

12.

Wat wordt er aangegeven met 4

a)

Cel lichaam

b)

Celkern

c)

Dendriet

d)

Axon

e)

Steuncellen

13.

Waar liggen schakel(zenuw)cellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

in zijn geheel het centrale zenuw stelsel

c)

gedeeltelijk in en gedeeltelijk vlakbij het centrale zenuwstelsel

14.

Wat is de taak van:

gevoelszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

15.

Wat is de taak van:

bewegingszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

16.

Wat is de taak van:

schakel(zenuw)cellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

17.

Bij een slaap arm, tinteling in je arm, is er spraken van afknelling van :

a)

bewegingszenuwcellen

b)

gevoelszenuwcellen

c)

schakelcellen

18.

In welke richting gaan de impulsen van de gevoelszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

19.

In welke richting gaan de impulsen van de bewegingszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

20.

Wat is de functie van hormonen?

a)

Hormonen regelen de werking van weefsels en organen die er gevoelig voor zijn.

b)

Hormonen verwerken impulsen die afkomstig zijn van zintuigcellen.

c)

Hormonen zorgen voor de voeding van veel hormoonklieren.

d)

Hormonen zorgen voor vaste, snelle reacties op bepaalde prikkels.

21.

Wat zijn de algemene verschillen tussen het hormoonstelsel en het zenuwstelsel?

a)

Hormoonstelsel werkt snel, zenuwstelsel werkt traag

b)

Hormoonstelsel werkt traag, zenuwstelsel werkt snel

c)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op korte termijn, zenuwstelsel op lange termijn.

d)

Hormoonstelsel zorgt voor reacties op lange termijn, zenuwstelsel op korte termijn.

22.

Voorbeelden van hormoonklieren zijn:

a)

hypofyse

b)

maag

c)

kleine hersenen

d)

schildklier

e)

eierstokken

23.

Onder invloed van welk hormoon wordt glycogeen omgezet in glucose? (Alleen VWO)

(a)  

24.

Welk hormoon wordt bij diabetes onvoldoende geproduceerd? (Alleen VWO)

(a)  

25.

Insuline en glucagon regelen ...

a)

het constant houden van de bloedsuikerspiegel

b)

de hartslag

c)

de productie van hormonen in de schildklier

d)

de productie van testosteron

e)

de productie van adrenaline

26.

Insuline en glucagon worden geproduceerd in ...

a)

de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier

b)

de eilandjes van Langerhans in de bijnieren

c)

de schildklier

d)

de teelballen

e)

de eilandjes van Langerhans in de hypofyse

27.

Wat is GEEN functie van je zenuwen?

a)

Verbinden het centrale zenuwstelsel met alle lichaamsdelen

b)

Geven impulsen door

c)

Zetten een prikkel om in een impuls

28.

Het zenuwstelsel regelt de werking van spieren en klieren

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

30.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

31.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

32.

GEVOELszenuwcellen brengen impulsen van je hersenen naar je spieren of klieren

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

BEWEGINGszenuwcellen brengen impulsen van je hersenen naar je spieren of klieren

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

De weg van een impuls gaat over een aantal banen. De juiste volgorde van het ontstaan van een prikkel tot de actie is:

a)

prikkel-bewegingszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-spier

b)

prikkel-zintuigcel-impuls-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-schakelzenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

impuls-zintuigcel-ruggenmerg-schakelzenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-spier

35.

De hypofyse wordt aangegeven met nummer ..

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

36.

De schildklier wordt aangegeven met nummer ..

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

37.

Nummer 5 geeft de .. aan

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

alvleesklier

d)

eierstokken

38.

Een reflex heeft een korte en snelle werking om het lichaam te beschermen. De weg van een reflexboog is ..

a)

zintuigcel-gevoelszenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

b)

impuls-bewegingszenuwcel-grote hersenen-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

prikkel-gevoelszenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-bewegingszenuwcel

39.

Waar hebben mensen met diabetes last van? (Alleen VWO)

a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
40.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

41.

Een onderzoekje naar het verband tussen het glucosegehalte van het bloed en een schrikreactie. Op welk tijdstip schrok deze persoon hevig? (Alleen VWO)

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S