wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verhaalanalyse

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Bij een personaal perspectief:

a)

weet je alleen van de hoofdpersoon wat hij denkt en voelt

b)

weet je van meerdere personages wat ze denken en voelen

c)

weet je van zowel hoofdpersoon als bijfiguren wat ze denken/voelen

d)

geen van allen

2.

De alwetende verteller:

a)

laat alleen de gedachten/gevoelens van de hoofdpersoon zien

b)

laat de gedachten/gevoelens van meerdere personages zien

c)

schrijft altijd in de ik-vorm

d)

gebruikt altijd een chronologische volgorde

3.
Wat is geen perspectief?
a)
Ik
b)
Personaal
c)
Integraal
d)
Auctoriaal
4.

De vertelde tijd is:

a)

De tijdsduur in het verhaal

b)

De tijd die nodig is om het verhaal te lezen (in pagina’s/omvang)

c)

De historische tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

d)

De tijd die beschreven wordt door de verteller.

5.

De verteltijd is:

a)

De tijdsduur in het verhaal

b)

De tijd die nodig is om het verhaal te lezen (in pagina’s/omvang)

c)

De historische tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

d)

De tijd die beschreven wordt door de verteller.

6.

In een chronologisch verhaal wordt het verhaal van begin tot eind in de juiste volgorde verteld.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Bij een auctoriaal perspectief wordt het verhaal vanuit de ik-persoon verteld.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Een voorwerp kan een leidmotief zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Welk perspectief zie je hier?

Ze stapte uit de auto, maar bleef met haar jas aan de gordel hangen. Ze viel recht vooruit met haar kin op de stoep. Dat gaat er niet mooi uitzien, dacht ze.

a)

Ik-perspectief

b)

Personaal perspectief

c)

Auctoriaal perspectief

10.

Welk perspectief zie je hier? Hij wist nog niet dat, op datzelfde moment, driehonderd kilometer verderop, de koning bezig was een executiebevel op te stellen.

a)

Ik-perspectief

b)

Personaal perspectief

c)

Auctoriaal perspectief

11.

Wat is een round charakter?

a)

Oppervlakkig uitgewerkte personages

b)

Een gecompliceerd personage dat vaak een ontwikkeling doormaakt

c)

Personages met een duidelijk omschreven uiterlijk

12.

Welk begrip herken je in de volgende situatie? De ik-persoon droomt over gebeurtenissen uit het verleden.

a)

Tijdversnelling

b)

Tijdsprong

c)

Flashback

d)

Spanning

13.

Welk begrip herken je in de volgende situatie? Een onderdeel van het verhaal wordt heel uitvoerig beschreven.

a)

Tijdvertraging

b)

Chronologie

c)

Flashback

d)

Open plek

14.

Welke twee uitspraken kloppen met betrekking tot de begrippen uit de verhaalanalyse 'verteltijd' en 'vertelde tijd'?

Dus twee antwoorden aanvinken.

a)

De vertelde tijd is de tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.

b)

De verteltijd is de tijd die je nodig hebt om een tekst te lezen.

c)

De vertelde tijd is de tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis (de chronologische volgorde van de gebeurtenissen) in beslag nemen.

d)

De verteltijd is de tijd die de gebeurtenissen in de geschiedenis (de chronologische volgorde van de gebeurtenissen) in beslag nemen.

15.

Bepaalde (onbelangrijke) stukken worden in enkele woorden of regels samengevat. Dit is...

a)

tijdvertraging

b)

tijdsprong

c)

tijdverdichting

16.

Het terugkeren van situaties, gevoelens, opvattingen of gebeurtenissen, noem je ...

(a)  

17.

Liefde, dood, verstoorde (ouder-kind)relaties, schuld en boete, verval en ouderdom zijn voorbeelden van: ...

(a)  

18.

Het steeds terugkeren van een bepaald woord of voorwerp of een ongewijzigd voorkomende zin in een verhaal noem je een ...

a)

Thema

b)

Leidmotief

c)

Verhaalmotief

d)

Cliffhanger

19.

Het centrale probleem in een roman noem je:

a)

motto

b)

titel

c)

thema

d)

genre

20.

Wat is het verschil tussen fabel en sujet in een verhaal?

a)

Fabel is de vertelde volgorde van het verhaal, terwijl sujet de logische en chronologische volgorde is.

b)

Fabel is de logische en chronologische volgorde van het verhaal, terwijl sujet de vertelde volgorde is.

c)

Fabel en sujet zijn synoniemen en betekenen hetzelfde.

d)

Fabel en sujet hebben geen betrekking op de volgorde van het verhaal.