Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

ik vormen en stam

Total questions: 72

Worksheet time: 55mins

Name
Class
Date
1.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Mama moppert op mijn rommel.
a)
moppert
b)
mopper
c)
mopperen
d)
mopperde
2.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Mama moppert op mijn rommel.
a)
moppert
b)
mopper
c)
mopperen
d)
mopperde
3.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Papa begrijpt niets van de puzzel.
a)
begrijpt
b)
begrijp
c)
begrijpen
d)
begreep
4.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Ik mag vandaag niet naar judo!
a)
mag
b)
mocht
c)
mogen
d)
mochten
5.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Hij danst met een mooi meisje.
a)
danst
b)
dans
c)
dansen
6.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan het hele werkwoord?
Zij staat boven op het dak.
a)
staat
b)
sta
c)
staan
7.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!

(de stam is de ik-vorm van het werkwoord)

Zij staat boven op het dak.

a)

staat

b)

sta

c)

staan

8.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?! (de ik-vorm)

Ik mag vanavond niet naar judo.

a)

mocht

b)

mag

c)

mogen

9.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!

Ik kies de kleur!

a)

kies

b)

kiest

c)

kiezen

d)

koos

10.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Papa begrijpt niets van de puzzel.
a)
begrijp
b)
begrijpt
c)
begrijpen
d)
begreep
11.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Mama moppert op mijn rommel.
a)
mopper
b)
moppert
c)
mopperen
d)
mopperde
12.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Hij danst met een mooi meisje.
a)
dans
b)
danst
c)
dansen
13.
Zoek het werkwoord in de zin. Wat is daarvan DE STAM?!
Juf geeft mij een sticker!
a)
geeft
b)
geef
c)
geven
14.

De wij-vorm van een werkwoord noem je...

a)

de stam

b)

de persoonsvorm

c)

het hele werkwoord

d)

de ik-vorm

e)

de hij-vorm

15.

Het hele werkwoord staat altijd in de...

(er zijn meerdere antwoorden goed!)

a)

tegenwoordige tijd

b)

verleden tijd

c)

nu-tijd

d)

tijd die al gebeurd is

e)

ik-vorm

16.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is hiervan het hele werkwoord en wat is de stam?


De opa leest de krant.

a)

leest, lees

b)

leesen, lees

c)

lezen, lees

d)

lezen, leest

e)

leest, lezen

17.

Zoek het werkwoord in de zin. Wat is hiervan het hele werkwoord en wat is de stam?


Mijn vriendinnetje slentert over de markt.

a)

slentert, markt

b)

slentert, slenter

c)

slenteren, slenter

d)

slenteren, slentert

e)

slenteren, markt

18.

Wat is de ik-vorm?

a)

Dat is de hoofdpersoon in een verhaal.

b)

Dat is het woord dat achter 'ik' staat in een zin.

c)

Dat is het werkwoord dat achter 'ik' kan staan in een zin in de tegenwoordige tijd.

d)

Dat is de stam van een werkwoord.

e)

Dat is het werkwoord dat voor 'ik' kan staan in een zin in de tegenwoordige tijd.

19.

In welke zin is de ik-vorm juist geschreven?

a)

Ik wedt dat hij morgen ziek thuis is!

b)

Hij loopt sneller dan de rest van zijn klas naar het lokaal.

c)

Mijn vader is de beste!

d)

Ik verbied mijn broertje mijn kamer binnen te komen!

20.

In welke zin is de ik-vorm fout geschreven?

a)

Moet ik voor de les morgen huiswerk maken?

b)

Ik redt wel eens vlinders uit het zwembad van mijn oom en tante.

c)

Ik plant een bloem in de tuin van mijn oma

d)

Als ik later groot ben, begin ik een eigen bedrijf.

21.

In welke zin is de ik-vorm fout geschreven?

a)

Ik weet het zeker: volgende week word ik kampioen!

b)

Morgen rijdt ik met mijn zus naar school.

c)

Ik leen wel eens de fiets van mijn oma.

d)

De buurjongen vind je niet leuk!

22.

Waarop eindigt de ik-vorm nooit?

a)

op een v

b)

op een k

c)

op een z

d)

op een t

23.

De ik-vorm eindigt nooit op twee dezelfde medeklinkers.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Een werkwoord kan alleen in de ik-vorm staan als er een 'ik' in de zin staat.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

In welke zinnen staat de persoonsvorm in de ik-vorm?

a)

Maandag word ik dertien jaar.

b)

Denk je dat ze nu nog gaan scoren?

c)

Jij verwent die kat veel te veel!

d)

Je verdwaalt heel snel in de grote stad.

e)

Waarom loop jij altijd zo langzaam?

26.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Betalen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

27.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Bewijzen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

28.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Bijten

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

29.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Blijven

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

30.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Luisteren

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

31.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Niezen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

32.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Plukken

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

33.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


Proeven

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

34.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


rennen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

35.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


schrijven

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

36.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


stoppen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

37.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


sturen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

38.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


verhuizen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

39.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


vervelen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

40.

Wat moet je doen bij het volgende werkwoord om de ik-vorm te krijgen?


wandelen

a)

-en eraf

b)

-en eraf en v wordt f

c)

-en eraf en z wordt s

d)

-en eraf en medeklinker eraf

e)

-en eraf en klinker erbij

41.

de stam van het werkwoord lopen is

a)

loop

b)

lop

c)

lopen

42.

Wat is de stam van geven? Kies het beste antwoord.

a)

geeft

b)

geef

c)

geven

d)

gev

43.

Wat is de stam van houden? Kies het beste antwoord.

a)

hou

b)

houd

c)

houdt

d)

hield

44.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Halen

(a)  

45.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Kijken

(a)  

46.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Halen

(a)  

47.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Stemmen

(a)  

48.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Leven

(a)  

49.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Blozen

(a)  

50.

Schrijf de ik-vorm van het werkwoord op.

Dragen

(a)  

51.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Ik ... mijn boeken in mijn tas.

a)

stop

b)

stopt

c)

stoppen

52.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Dit jaar ... ik met de bus naar school.

a)

gaat

b)

gaan

c)

ga

53.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Ik ... ook weleens met de trein.

a)

reis

b)

reist

c)

reizen

54.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Dan ... ik de ov-chipkaart.

a)

gebruiken

b)

gebruikt

c)

gebruik

55.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Soms ... ik uit te checken.

a)

vergeten

b)

vergeet

56.

Welke vorm van het werkwoord past in de volgende zin?

Ik ... het op mijn hand om het te onthouden.

a)

schrijf

b)

schrijft

c)

schrijven

57.

De ik-vorm van lopen is:

(a)  

58.

Welke vorm van lopen vul je in als er staat:

Hij ... naar school.

(a)  

59.

De ik-vorm van blazen is:

(a)  

60.

Welke vorm van blazen vul je in als er staat:

Jij ... de ballon op.

(a)  

61.

De ik-vorm van drijven is:

(a)  

62.

Welke vorm van drijven vul je in als er staat:

Het luchtbed ... op het water.

(a)  

63.

Schrijf de pv goed in de zin.

Ik ... (leren) mijn hond een kunstje.

(a)  

64.

Schrijf de pv goed in de zin.

... (zeggen) maar eens: 'Mooi zitten.'

(a)  

65.

Schrijf de pv goed in de zin.

Hij ... (gaan) netjes op zijn achterpoten zitten.

(a)  

66.

Schrijf de pv goed in de zin.

Dan ... (geven) ik hem een koekje.

(a)  

67.

Schrijf de pv goed in de zin.

Dat ... (smikkelen) hij snel op.

(a)  

68.

Schrijf de pv goed in de zin.

Honden ... (kauwen) graag op een bot.

(a)  

69.

Schrijf de pv goed in de zin.

Zo ... (blijven) hun tanden en kiezen gezond.

(a)  

70.

Schrijf de pv goed in de zin.

Kauwbotten ... (bevatten) speciale eiwitten.

(a)  

71.

Schrijf de pv goed in de zin.

Jij ... (kennen) vast ook wel een leuke hond.

(a)  

72.

Schrijf de pv goed in de zin.

Misschien ... (hebben) je zelf wel een hond.

(a)