wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

elektriciteit BB

Total questions: 43

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.
Het licht op je fiets werkt op elektriciteit. Om elektriciteit te krijgen heb je een spanningsbron nodig.Welk antwoord bevat alleen maar spanningsbronnen?
a)
Batterij, spaarlamp, generator
b)
Kachel, gloeilamp, batterij
c)
Dynamo, generator, batterij
d)
Oven, spaarlamp, dynamo
2.

welke van de 4 opties is een geleider?

a)

Koper

b)

plastic

c)

rubber

d)

Hout

3.

welke van de 4 heeft alleen spanningsbronnen?

a)

batterij, dynamo, lamp

b)

batterij, accu, dynamo

c)

batterij, accu, HDMI kabel

d)

batterij, playstation,toaster

4.

je ziet hier een schakeling. Wat wijst het pijltje aan?

a)

Batterij

b)

krokodillen tangen

c)

schakelaar

d)

gebroken draad

5.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

6.

Welke stof is GEEN geleider?

a)

Ijzer

b)

Koolstof

c)

Koper

d)

Plastic

7.

Ik draai 1 lampje uit deze schakeling. Wat gebeurt er met de andere 6 lampen?

a)

Alle lampjes gaan uit

b)

De andere 6 lampjes gaan allemaal iets harder branden

c)

Er gebeurt helemaal niets

d)

Alleen de lampjes die voor de lamp staan die eruit is gedraaid, werken nog.

8.

Ik heb een schakeling met 1 lamp, die veel licht geeft.

Nu voeg ik een tweede lamp toe aan de schakeling (zoals in het plaatje rechts). Wat gebeurt er met het licht van de lampen?

a)

Allebei de lampen blijven even fel branden als in de schakeling links.

b)

Allebei de lampen branden niet.

c)

Allebei de lampen branden half zo fel als bij de schakeling links.

d)

Lamp 1 brand net zo fel als bij de linker schakeling, omdat het alle stroom verbruikt en lamp 2 staat uit.

9.

Wat zijn de voordelen van een parallel schakeling?

a)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

b)

Bij een parallel schakeling heb je slechts 1 stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Ook branden alle lampen die parallel staan even fel.

c)

Bij een parallel schakeling heb je meerdere stroomkringen. Als dan 1 lamp kapot gaat, blijft de rest werken.

Maar alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden.

d)

Bij een parallel schakeling heb je een stroomkring. Als dan 1 lamp kapot gaat, gaat de rest ook uit.

Alle lampen branden minder fel, omdat de stroom wordt verdeeld over verschillende paden

10.
Het plaatje is het symbool van een:
a)
Batterij
b)
Een gesloten schakelaar
c)
Een geopende schakelaar
d)
Een lamp
11.
Welke zin over het schakelschema in het plaatje klopt?  Het getoonde schakelschema is een:
a)
Parallelschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
b)
Parralelschakeling met 2 schakelaars en 1 spanningsbron
c)
Serieschakeling met 2 lampjes en een weerstand
d)
Serieschakeling met 2 lampjes en 1 spanningsbron
12.
Hoeveel stroomkringen heeft het schakelschema in het plaatje?
a)
3
b)
5
c)
6
d)
7
13.
Met welke schakeling bepaal je spanning over het lampje en de stroomsterkte door het lampje?
a)
A
b)
B
c)
C
d)
D
14.
Welke spanning geeft de Voltmeter aan?
a)
1,25 V
b)
1,5V
c)
12,5 V
d)
15 V
15.
In een serieschakeling is de spanning overal hetzelfde.
a)
Waar
b)
Niet waar
16.
In een parallelschakeling is de stroomsterkte overal hetzelfde.
a)
Waar 
b)
Niet waar
17.
De spanning die een stopcontact in je huis geeft is....
a)
12 V
b)
24 V
c)
110 V
d)
230 V
18.
Wat voor schakeling wordt in de afbeelding weergegeven?
a)
Een serieschakeling
b)
Een parallelschakeling
19.

Om het vermogen te berekenen gebruiken wij de formule:

a)

U=I.R

b)

I=U.R

c)

P=u.I

d)

U=P.I

20.

Een stroom van 10 ampère schrijven wij als ?

a)

10mA

b)

10Am

c)

10 A

d)

10 m

21.

Op de meeste wandcontactdozen staat een spanning van ?

a)

12V

b)

16A

c)

220V

d)

230V

22.

De spanning wordt uitgedrukt in ?

a)

Spanning

b)

Ampere

c)

Stroom

d)

Volt

23.

Je hebt de keuze uit een lamp van 5 watt en een van 15 watt.

Welke twee uitspraken zijn waar?

a)

De lamp van 5 Watt verbruikt de minste energie

b)

De lamp van 5 Watt verbruikt de meeste energie

c)

De lamp van 15 Watt geeft het minste licht

d)

De lamp van 15 Watt geeft het meeste licht

24.

Wat betekend het waarschuwingsbord

a)

Wees zuinig met stroom

b)

Pas op als het onweert

c)

Gevaarlijke elektrische spanning

d)

Gevaarlijke treinovergang

25.

Als je met elektriciteit werkt moet je altijd opletten want:

a)

Elektriciteit kan leeglopen en dan kan je geen metingen meer doen

b)

Elektriciteit kan jouw ineens een schok bezorgen

c)

Elektriciteit is duur dus te veel gebruiken kost te veel geld

d)

De apparaten waar je elektriciteit mee meet zijn zeer gevoelig voor de instellingen

26.

Wat is geen eenheid voor vermogen P?

a)

watt

b)

kilowatt

c)

joule/second

d)

kilowattuur

27.

Vermogen P, kan ook gemeten worden in kWh

a)

Waar

b)

Niet waar

28.

Welk apparaat verbruikt naar verwachting meer energie in een jaar?

a)

Tostiapparaat (P=750 W)

b)

Koelkast (P=25 W)

29.

Een lampje is aangesloten op een batterij.

Het vermogen van het lampje is 5 W en de stroomsterkte erdoorheen is 0,42 A.


Bereken de spanning van de batterij:


(formule was P=U x I)

a)

12 V

b)

6 V

c)

1,5 V

d)

2,1 V

30.

0,001 Ampére = (a)   milli-Ampére

31.

300 milli-Ampére = (a)   Ampére

32.

Wanneer kan er in een stroomkring stroom lopen?

a)

Als het rode draad in de plus kant zit en het zwarte draad in de min kant

b)

Als er genoeg isolatoren in de stroomkring zitten

c)

Alleen als de stroomkring gesloten is

d)

Alle drie de antwoorden zijn juist

33.

Op een spaarlamp staat ‘11 W’.

Wat is ‘11 W’?

a)

Het rendement van de lamp

b)

Het energiegebruik van de lamp

c)

Het energiegebruik van de lamp in 1 seconde

d)

Geen van bovenstaande antwoorden

34.

kilowattuur is een eenheid van

a)

energie

b)

vermogen

c)

elektriciteit

d)

spanning

35.

Welke letter is de afkorting voor spanning?

(a)  

36.

Voor een parallelschakeling geldt: De spanning is ____________ en de stoomsterkte is _______________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

37.

Voor een serieschakeling geldt: De spanning is ___________ en de stroomsterkte is_________________.

a)

gelijk en gelijk

b)

verdeeld en verdeeld

c)

gelijk en verdeeld

d)

verdeeld en gelijk

38.

Een wasmachine werkt op een spanning van 230 volt. De stoomsterkte door de wasmachine is 8 A. Wat is het vermogen van de wasmachine?

a)

920 W

b)

1840 W

c)

28,75 W

d)

0,035 W

39.

Hoeveel energie gebruikt een computer van 400 Watt als hij 3 kwartier aanstaat?

a)

1200 kWh

b)

0,3 kWh

c)

300 kWh

d)

1,2 kWh

40.
16 kV = 
a)
16000 V
b)
160 V
c)
0,16 V
d)
0,0016 V
41.

Een wasmachine thuis heeft een vermogen van 2 kW. Bereken de stroomsterkte (I).

a)

8,7 A

b)

460 A

c)

0,115 A

d)

3 A

42.

Met welk apparaat wordt het energieverbruik van elektrische apparaten in huis gemeten? 

a)

Met een aardlekschakelaar

b)

Met een kWh meter

c)

Met een vermogensmeter

d)

Met een zekering

43.

Er bestaat een relatie tussen de vochtigheid van je huid en de contactweerstand.

Welke bewering is waar?

a)

Als je huid vochtiger wordt, wordt de contact weerstand groter

b)

Als je huid vochtiger wordt, wordt de contact weerstand kleiner