Font size
Worksheetsvoc: les parties du corps
Total questions: 150
Worksheet time: 3hrs 30mins
het hoofd
(a)
het oor
(a)
de keel
(a)
de long
(a)
het hart
(a)
de maag
(a)
de pols
(a)
de hand
(a)
de vinger
(a)
de spier
(a)
de voet
(a)
de teen
(a)
de enkel
(a)
de hiel
(a)
de knie
(a)
het been
(a)
de dij
(a)
de bil
(a)
de elleboog
(a)
de borst
(a)
de arm
(a)
de rug
(a)
de nek
(a)
de hersenen
(a)
de borst(kas)
(a)
de nier
(a)
de buik
(a)
het haar
(a)
de ogen
(a)
de neus
(a)
de mond
(a)
de tand
(a)
de kin
(a)
het gezicht
(a)
het ongeval
(a)
het astma
(a)
de blauwe plek
(a)
het puistje
(a)
de diarree
(a)
de pijn
(a)
de verstuiking, de verzwikking
(a)
de koorts
(a)
de griep
(a)
de ziekte
(a)
de patiënt
(a)
de patiënte
(a)
de (muggen)beet, inspuiting
(a)
de verkoudheid
(a)
la santé
(a)
de hoest
(a)
verstopt
(a)
depressief, neerslachtig
(a)
zwak
(a)
moe
(a)
verstuikt, verzwikt
(a)
gezwollen
(a)
ernstig, erg
(a)
bleek
(a)
dringend
(a)
de tong
(a)
de schouder
(a)
de wonde
(a)
de snijwonde
(a)
snuiten
(a)
niezen
(a)
strekken
(a)
de pijnstiller
(a)
l'appareil dentaire
(a)
het verband
(a)
de kruk
(a)
de tablet
(a)
het ontsmettingsmiddel
(a)
het ijsblokje
(a)
de neusdruppels
(a)
het medicijn
(a)
de watten
(a)
(het verband), de pleister
(a)
het tabletje
(a)
het pilletje, de pil
(a)
het gips
(a)
de zalf
(a)
de remedie, het hulpmiddel, het geneesmiddel
(a)
de rust
(a)
de siroop
(a)
de pleister
(a)
de temperatuur
(a)
de thermometer
(a)
Help!
(a)
Veel beterschap!
(a)
een verkoudheid oplopen, (kou)vatten
(a)
het warm/koud hebben
(a)
koorts hebben
(a)
zich misselijk voelen
(a)
duizelig zijn
(a)
griep hebben
(a)
zich draaierig voelen
(a)
een gebroken arm hebben
(a)
een verstopte neus hebben
(a)
een loopneus hebben
(a)
er slecht uitzien
(a)
(zich) verwonden
(a)
pijn doen
(a)
(zich) krabben
(a)
voorschrijven
(a)
bloeden
(a)
zich verbranden
(a)
(zijn arm) breken
(a)
zich pijn doen (aan)
(a)
(zijn enkel) verstuiken
(a)
zich snijden (in)
(a)
zich slecht voelen
(a)
flauwvallen
(a)
vallen
(a)
ziek worden
(a)
hoetsen
(a)
braken, overgeven
(a)
de ziekenwagen
(a)
het ziekenhuis
la ...
(a)
de tandarts
(a)
de dokter
(a)
het ziekenhuis
l' ...
(a)
de ziekenboeg
(a)
de verpleger
(a)
de verpleegster
(a)
de kinesist(e)
(a)
de dokter, de arts
(a)
de apotheek
(a)
helpen
(a)
roepen, opbellen
(a)
een dokter raadplegen
(a)
een wonde ontsmetten
(a)
onderzoeken
(a)
in bed blijven
(a)
genezen
(a)
röntgenfoto's laten maken
(a)
(uit)rusten
(a)
zich goed voelen
(a)
(zich) verzorgen
(a)
inenten
(a)
kloppen (van het hart)
(a)
drinken
(a)
bewegen
(a)
lopen, rennen
(a)
slapen
(a)
stappen
(a)
eten
(a)
plooien
(a)
ademen
(a)
zijn tanden poetsen
(a)
zijn haar kammen
(a)
