wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KGT Grammatica en Formuleren

Total questions: 70

Worksheet time: 1hrs 7mins

Name
Class
Date
1.

Een enkelvoudige zin heeft ......

a)

twee persoonsvormen

b)

een persoonsvorm

c)

drie persoonsvormen

2.

Een samengestelde zin heeft ......

a)

een persoonsvorm.

b)

meer persoonsvormen.

3.

Samengestelde zinnen maak je door...

a)

van een zin een zin te maken met een voegwoord.

b)

van twee zinnen een zin te maken met een voegwoord.

4.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

5.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

6.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

7.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

8.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

9.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We gaan volgende week op vakantie, ........ oma die week geopereerd wordt.

a)

tenzij

b)

omdat

c)

zodra

d)

dus

10.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik doe er niet aan mee, ........ ik het zaakje niet vertrouw.

a)

mits

b)

dus

c)

omdat

d)

hoewel

11.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ het nu mag of niet, we doen het!

a)

Dus

b)

Echter

c)

Of

d)

Zolang

12.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Ik ben voor niemand bang, ........ kom maar op!

a)

want

b)

en

c)

maar

d)

dus

13.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


We stoppen met voetballen, ........ de bal is lek.

a)

want

b)

hoewel

c)

maar

d)

indien

14.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Lees eerst de gebruiksaanwijzing …. u het apparaat in gebruik neemt.

a)

voordat

b)

als

c)

nadat

15.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


........ de voorraad strekt, kun je je spaarpunten inwisselen.

a)

Of

b)

Als

c)

Echter

d)

Zolang

16.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'Kun je mijn fietsband plakken?'

a)

Kun

b)

Kun plakken

c)

je

d)

mijn fietsband

17.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De leerlingen leren wat het lijdend voorwerp is'

a)

De leerlingen

b)

leren

c)

leren wat het lijdend voorwerp is

d)

Wat het lijdend voorwerp is

18.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

De fietsen worden op slot gezet

a)

Er is geen lijdend voorwerp

b)

Worden

c)

op slot

d)

gezet

19.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De heren van het goede leven geef ik een taart voor hun verjaardag'

a)

De heren

b)

De heren van het goede leven

c)

Een taart

d)

Hun verjaardag

20.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De taart wordt gegeven aan de heren van het goede leven'

a)

Er is geen lijdend voorwerp

b)

De taart

c)

De heren van het goede leven

d)

de heren

21.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'Ik ben mijn sleutels vergeten in de deur'

a)

in de deur

b)

mijn sleutels

c)

ik

d)

ben vergeten

22.

Mijn sleutels zijn vergeten in de deur

a)

Mijn sleutels

b)

in de deur

c)

zijn vergeten

d)

Er is geen lijdend voorwerp

23.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Uw moeder komt vanavond ook.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

24.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Ik heb jouw broer ook uitgenodigd.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

25.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Zal ik jou even helpen?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

26.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat schrift van jou?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

27.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Hij heeft jouw jas naar de garderobe gebracht.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

28.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Alex vindt jouw recept toch beter.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

29.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Hij heeft jou jouw brommer zien stallen.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

30.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Of is die soms niet van jou?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

31.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Is dat jouw schrift?

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

32.

Is het onderstreepte woord een bezittelijk of een persoonlijk voornaamwoord?

Ik heb u gisteren gebeld.

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

33.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
34.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
35.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Meneer Duffeling wordt ontzettend kwaad.
a)
kwaad
b)
ontzettend
c)
wordt
d)
meneer Duffeling
36.
Zoek in deze zin de persoonsvorm.
Eet professor Perkamentus graag snoep? 
a)
eet
b)
professor Perkamentus
c)
snoep
d)
graag
37.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
38.
Een samengestelde zin heeft ....... persoonsvormen.
a)
één
b)
twee
c)
twee of meer
d)
geen
39.
Zoek het onderwerp en de persoonsvorm in deze zin.
Volgens mij is het neefje van Harry een gemene pestkop.
a)
Harry / gemene pestkop
b)
het neefje van Harry / is
c)
mij / is
d)
is / gemene pestkop
40.
Zoek het voegwoord in deze zin.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
a)
uit
b)
met
c)
en
d)
naar
41.

Ik ga naar de markt, omdat ik appels wil kopen.

Zoek de persoonsvorm(en)!

a)

ga

b)

wil kopen

c)

ga en wil

d)

kopen

42.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

43.

Hoeveel persoonsvormen heeft deze zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

1; gaan

b)

2; gaan, betalen

c)

2; gaan, kunnen

d)

3; gaan, kunnen, betalen

44.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

45.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

46.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Sinds wanneer heeft elke voetballer een nieuw t-shirt?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

47.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn moeder heeft voor de visite een cake gebakken.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

48.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De heksen toveren de prins om in een kikker.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

49.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik wil een nieuwe outfit voor het feest morgen.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

50.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Heeft Tom de kartonnen doos hier neergezet?

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

51.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Mijn broertje ruimt nooit zijn spullen op.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

52.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


Ik heb voor school mijn agenda nodig.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

53.

Welk zinsdeel is het onderstreepte deel van de zin?


De meester deelt lastige toetsen uit aan groep 8.

a)

Persoonsvorm

b)

Werkwoordelijk gezegde

c)

Onderwerp

d)

Lijdend voorwerp

54.

Wat is het onderwerp in de zin?


Mijn nicht heeft een verrassingsreis geboekt.

a)

Mijn nicht

b)

heeft

c)

een verrassingsreis

d)

heeft geboekt

55.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Mijn moeder heeft de auto op slot gedaan.

a)

Mijn moeder

b)

heeft

c)

de auto

d)

heeft gedaan

56.

Wat is het onderwerp in zin?


De kinderen van mijn nicht hebben skeelers gekocht.

a)

De kinderen

b)

De kinderen van mijn nicht

c)

hebben gekocht

d)

skeelers

57.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Van mijn zakgeld heeft Maarten een nieuwe telefoon gekocht.

a)

mijn zakgeld

b)

Maarten

c)

een nieuwe telefoon

d)

heeft gekocht

58.

Wat is de persoonsvorm in de zin?


Mijn oom wil een auto voor zeven personen kopen.

a)

Mijn oom

b)

wil

c)

een auto

d)

wil kopen

59.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Heb jij dit weekend de woordjes voor Frans wel geleerd?

a)

Heb

b)

jij

c)

de woordjes voor Frans

d)

heb geleerd

60.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin?


Jullie winkel verkocht een klein schilderij op vrijdag.

a)

Jullie winkel

b)

verkocht

c)

een klein schilderij

d)

op vrijdag

61.

Wat is het onderwerp in de zin?


Ik ben het pionnetje van het bordspel kwijtgeraakt.

a)

Ik

b)

ben

c)

het pionnetje

d)

ben kwijtgeraakt

62.

Wat is het lijdend voorwerp in de zin?


Alle leerlingen hebben hun eigen rekenschrift.

a)

Alle leerlingen

b)

hebben

c)

hun eigen rekenschrift

d)

eigen rekenschrift

63.

Wat is het onderwerp in de zin?


Aan Marieke geef ik volgende week een presentje.

a)

Marieke

b)

geef

c)

ik

d)

een presentje

64.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'Kun je mijn fietsband plakken?'

a)

Kun

b)

Kun plakken

c)

je

d)

mijn fietsband

65.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De leerlingen leren wat het lijdend voorwerp is'

a)

De leerlingen

b)

leren

c)

leren wat het lijdend voorwerp is

d)

Wat het lijdend voorwerp is

66.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

De fietsen worden op slot gezet

a)

Er is geen lijdend voorwerp

b)

Worden

c)

op slot

d)

gezet

67.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De heren van het goede leven geef ik een taart voor hun verjaardag'

a)

De heren

b)

De heren van het goede leven

c)

Een taart

d)

Hun verjaardag

68.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'De taart wordt gegeven aan de heren van het goede leven'

a)

Er is geen lijdend voorwerp

b)

De taart

c)

De heren van het goede leven

d)

de heren

69.

Welk zinsdeel van de volgende zin is het lijdend voorwerp?

'Ik ben mijn sleutels vergeten in de deur'

a)

in de deur

b)

mijn sleutels

c)

ik

d)

ben vergeten

70.

Mijn sleutels zijn vergeten in de deur

a)

Mijn sleutels

b)

in de deur

c)

zijn vergeten

d)

Er is geen lijdend voorwerp