wayground logo

Lembar Kerja Gratis yang Dapat Dicetak

BARU

Ukuran huruf

S
M
L
XL
Lembar kerja

K4 T9 Regeling bs 2

Total soal: 22

Worksheet time: 11mins

Nama
Kelas
Tanggal
1.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
2.

Wat is GEEN functie van je zenuwen?

a)

Verbinden het centrale zenuwstelsel met alle lichaamsdelen

b)

Geven impulsen door

c)

Zetten een prikkel om in een impuls

3.

Een zenuwcel is één cel en een zenuw bestaat uit meerdere zenuwcellen

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

5.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

6.

Bekijk de afbeelding. Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Schakelzenuwcel

c)

Gevoelszenuwcel

7.

Wat is de naam van onderdeel 1 en wat geven de zwarte pijlen aan (=2.) in dit onderdeel?

a)

1=celkern, 2=prikkel

b)

1=uitloper, 2=impuls

c)

1=uitloper, 2=prikkel

d)

1=cellichaam, 2=impuls

8.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

9.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

10.

De weg van een impuls gaat over een aantal banen. De juiste volgorde van het ontstaan van een prikkel tot de actie is:

a)

prikkel-bewegingszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-spier

b)

prikkel-zintuigcel-impuls-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-schakelzenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

impuls-zintuigcel-ruggenmerg-schakelzenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-spier

11.

Wat is een gemengde zenuw?

a)

deze bevat uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

b)

deze bevat cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Geen van beide

12.

Welke uitlopers zitten er in een gemengde zenuw?

a)

schakel en gevoelzenuwcellen

b)

gevoelzenuwcellen en bewegings-zenuwcellen

c)

bewegings-zenuwcellen en schakelcellen

13.

Waar liggen schakel(zenuw)cellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

in zijn geheel het centrale zenuw stelsel

c)

gedeeltelijk in en gedeeltelijk vlakbij het centrale zenuwstelsel

14.

Waar liggen de bewegingszenuwcellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuw stelsel

c)

de lichamen in het centrale zenuwstelsel de lange uitlopers door heel het lichaam

15.

Waar liggen de gevoelszenuwcellen?

a)

In zijn geheel buiten (gedeeltelijk vlakbij) het centrale zenuwstelsel

b)

In zijn geheel in het centrale zenuw stelsel

c)

de lichamen in het centrale zenuwstelsel de lange uitlopers door heel het lichaam

16.

Wat is de taak van:

gevoelszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

17.

Wat is de taak van:

bewegingszenuwcellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

18.

Wat is de taak van:

schakel(zenuw)cellen?

a)

impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel sturen

b)

impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren sturen

c)

impulsen sturen (doorgeven) binnen het centrale zenuwstelsel

19.

Bij een slaap arm, tinteling in je arm, is er spraken van afknelling van :

a)

bewegingszenuwcellen

b)

gevoelszenuwcellen

c)

schakelcellen

20.

In welke richting gaan de impulsen van de gevoelszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

21.

In welke richting gaan de impulsen van de bewegingszenuwcellen?

a)

Richting het centrale zenuwstelsel: van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel

b)

Weg van het centrale zenuwstelsel: van het centrale zenuwstelsel naar de spieren en klieren

22.

Kan de spier in de afbeelding nog samentrekken?

a)

ja, de spier kan zich samentrekken. Daar hebben zenuwen niets mee te maken

b)

Nee, de spier kan zich niet samentrekken. De zenuw kan geen signaal meer doorgeven

c)

Ja, de spier kan zich samentrekken, alleen minder goed

d)

Nee, de spier kan zich niet samentrekken. De zenuw bevriest de spier.