wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TV6 superquiz 4 havo

Total questions: 49

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.
Wat is handelskapitalisme?
a)
Wanneer je geld uitgeeft aan handel met het doel winst te maken
b)
Wanneer je producten ruilt, zonder geld
c)
Wanneer je producten afpakt, zonder te betalen.
2.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron van de VOC?

a)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

d)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

3.

Tijdvak 6 =

a)

Tijd van Ontdekkers en Hervormers

b)

Tijd van Steden en Staten

c)

Tijd van Regenten en Vorsten

d)

Tijd van Pruiken en Revoluties

4.

Tijdvak 6 loopt van 1600 tot 1700. Dat is de...

a)

16e eeuw

b)

17e eeuw

c)

18e eeuw

d)

15e eeuw

5.

Welk begrip past bij het bij dit plaatje?

(a)  

6.

juist of onjuist? In de Republiek was er veel verzet tegen de slavenhandel omdat het christendom tegen ongelijke behandeling van mensen is.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Wat is GEEN taak van de VOC?

a)

Handel drijven in naam van de Republiek

b)

Oorlog voeren in naam van de Republiek

c)

Kaapvaart om Spanje dwars te zitten

d)

Verdragen sluiten in naam van de Republiek

8.

Lees het onderstaande fragment:


Bij de oprichting in 1602 werd bepaald dat het kapitaal voor tien jaar zou worden ingelegd en dan zou worden teruggegeven. De eventuele winst zou aan de participanten ten goede komen. Vervolgens zou opnieuw kapitaal vergaard worden voor een tweede periode van tien jaar.


Welk begrip past hierbij?

a)

Aandelen

b)

Multinational

c)

Compagnieën

d)

Monopolie

9.
De VOC handelde in specerijen in de 
a)
Noord
b)
Oost
c)
Zuid 
d)
West
10.

Check 5.3:

Wat is een aflaat?

a)
een briefje dat je kreeg van de kerk, als je goed geloofde
b)
een briefje dat je kreeg als je een zonde had begaan
c)
Een briefje dat je kon kopen, in ruil voor een plekje in de hemel
d)
een briefje dat je van Luther kreeg, als je hem hielp
11.

Check hoofdstuk 5:

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron.

a)

Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling

b)

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid.

c)

Het begin van de Europese expansie overzee.

d)

De protestantse reformatie had splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg.

e)

Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

12.

Check hoofdstuk 5:

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron over de inwoners van de "Nieuwe Wereld"?

a)

Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.

b)

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid

c)

Het begin van de Europese expansie overzee

d)

De protestantse reformatie had splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg.

e)

Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat

13.
In Amsterdam worden allerlei goederen opgeslagen in pakhuizen. Vanuit daar worden ze verder verhandeld. Amsterdam is een...
a)
wereldstad
b)
beurs
c)
multinational
d)
stapelmarkt
14.
De Gouden Eeuw was de....
a)
15e eeuw
b)
16e eeuw
c)
17e eeuw
d)
18e eeuw
15.

Wat betekent het begrip tolerantie?

a)

Verdraagzaamheid tegenover mensen die anders denken en handelen dan dat jij doet, en die mensen in hun waarde laten

b)

Mensen vrij laten denken in hun geloof, zolang ze het maar niet uiten

c)

Mensen eerst anders laten denken dan dat jij doet, maar ze uiteindelijk wel leren hetzelfde te denken

d)

Mensen laten onderzoeken en ontdekken wat ze willen, ook al is het tegen de wil van de kerk in.

16.

Bij welk onderdeel van de paragraaf hoort deze bron (=schilderij uit de 17e eeuw van de grachtengordel, waar handelswaar werd opgeslagen)?

a)

Bijzondere plaats van de Republiek in staatkundig opzicht

b)

Economische bloei van de Republiek

c)

Culturele bloei van de Republiek

17.

Bij welk onderdeel van de paragraaf hoort deze bron (=schilderij uit de 17e eeuw van de grachtengordel, waar handelswaar werd opgeslagen)?

a)

Bijzondere plaats in staatkundig opzicht

b)

Economische bloei van de Republiek

c)

Culturele bloei van de Republiek

18.

Wat maakte de Republiek politiek gezien niet bijzonder?

a)

Er was geen democratie

b)

Burgers waren machtig

c)

Er was geen koning

d)

De Republiek werd bestuurd door verschillende gewesten

19.

De Republiek was feitelijk een:

a)

monarchie

b)

oligarchie

c)

aristocratie

d)

democratie

20.

Wat past niet bij de religieuze situatie in de Republiek?

a)

Gewetensvrijheid

b)

De gereformeerde godsdienst was het belangrijkst

c)

Over het algemeen was er tolerantie

d)

Iedereen mocht zijn geloof openbaar uiten

21.

Check 6.1:

Wat is handelskapitalisme?

a)
Wanneer je geld uitgeeft aan handel met het doel winst te maken
b)
Wanneer je producten ruilt, zonder geld
c)
Wanneer je producten afpakt, zonder te betalen.
22.

Check 5.4:

Wat is een gewest?

a)

een gebied in een land (vergelijkbaar met een provincie)

b)

een ander woord voor land.

c)

een stuk grond in het westen.

23.

Check hoofdstuk 5:

Bij welk kenmerkend aspect hoort het begrip Unie van Utrecht?

a)

Het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.

b)

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid

c)

Het begin van de Europese expansie overzee.

d)

De protestantse reformatie had splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg.

e)

Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

24.

Check door de tijd heen:

Zet de gebeurtenissen in de juiste volgorde. Ze horen allemaal bij een kenmerkend aspect uit de zestiende of zeventiende eeuw

a)

Ontdekking van Amerika van Columbus

b)

Luther hamert zijn stellingen waarin hij het Katholieke geloof bekritiseert aan de muur

c)

Alva wordt na de beeldenstorm met een leger naar de Nederlanden gestuurd

d)

De VOC pleegt genocide op de Banda-eilanden voor de handel op Nootmuskaat

e)

Johannes Vermeer schildert portretten van burgers in Delft tijdens de culturele bloei van de Republiek

1)
2)
3)
4)
5)
25.

Waarom werd de adel gedwongen op het paleis van Lodewijk XIV te verblijven?

a)

Dan kon de koning de adel in de gaten houden

b)

Dan kon de koning makkelijker met zijn ministers overleggen

c)

Dan kon de adel makkelijker belasting betalen

d)

Dan kon de adel de koning goed controleren

26.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

27.

Wat is absolutisme?

a)

De vorst heeft niets te zeggen

b)

De vorst zijn wil is wet, hij moet naar niemand luisteren

c)

De vorst zijn macht is gebonden aan het parlement

d)

De vorst heeft een ceremoniële functie

28.

Kies uit de onderstaande antwoordopties 2 maatregelen die Lodewijk XIV nam om alle macht naar zich toe te trekken.

a)

Wetgeving en rechtspraak werden alleen nog door Lodewijk XIV bepaald

b)

De standenvertegenwoordiging werd afgeschaft door Lodewijk XIV

c)

Lodewijk XIV liet paleis Versailles bouwen. De Franse adel moest hier verplicht wonen, zodat Lodewijk ze in de gaten kon houden

d)

Lodewijk XIV hief de standenmaatschappij op, zodat de geestelijkheid en adel hun macht kwijt raakten

29.

Een regeringsvorm waar de koning zich aan de wet diende te houden..

(a)  

30.

Engeland wordt met de komst van Willem III ook een absolute monarchie

a)

Juist

b)

Niet juist

31.

Noem alle oorzaken voor de bouw van het Paleis van Versailles

a)

Symbolisering van de macht van Lodewijk XIV

b)

Plek om de adel in de gaten te kunnen houden

c)

Plek vanuit waar hij zijn macht kon centraliseren en Frankrijk kon besturen

d)

Plek waar hij onderdanen opsloot als ze de wet hadden overtreden

32.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek

b)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

c)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

d)

De wetenschappelijke revolutie

33.

Check hoofdstuk 6:

Bij welk kenmerkend aspect hoort het begrip Verenigde Oost-Indische Compagnie?

a)

De wetenschappelijke revolutie.

b)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

c)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie

d)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

34.

Check hoofdstuk 5:

Bij welk kenmerkend aspect hoort de historische figuur Maarten Luther?

a)

Het streven van vorsten naar absolute macht

b)

De protestantse reformatie die de splitsing van de christelijke kerk tot gevolg had

c)

het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat

d)

het begin van de Europese overzeese expansie

35.

Check 6.2:

Wat past niet bij de religieuze situatie in de Republiek?

a)

Gewetensvrijheid

b)

De gereformeerde godsdienst was het belangrijkst

c)

Over het algemeen was er tolerantie

d)

Iedereen mocht zijn geloof openbaar uiten

36.
Question Image

Begrippen hoofdstuk 5 en 6

a)

Mens-en-wereldbeeld

1.

Kijk op het leven van mensen en de wereld om hen heen

b)

Factorij

2.

Handelspost

c)

Gewest

3.

Een soort provincie

d)

Monopolie

4.

Alleenrecht (b.v. op handel)

e)

Gewetensvrijheid

5.

Recht om te geloven wat je wilt

37.
Waarom spreken we in de zeventiende eeuw van een wetenschappelijke revolutie? 
a)
Omdat mensen toen voor de eerste keer in aanraking kwamen met de wetenschap
b)
Omdat mensen toen niet meer geloofden in de kracht van de wetenschap
c)
Omdat mensen op een wetenschappelijke manier de wereld gingen bestuderen
d)
Omdat mensen niet meer in God geloofden, maar in de wetenschap
38.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

a)

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

b)

De wetenschappelijke revolutie.

c)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

d)

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

39.

De wetenschappelijke revolutie is de eerste keer dat het wereldbeeld van de mensheid veranderde

a)

Juist

b)

Niet juist

40.

Manier van onderzoeken waar waarnemingen centraal staan

(a)  

41.

Stelling:

De wetenschappelijke revolutie is een vervolg op de Renaissance

a)

Daar ben ik het mee eens

b)

Daar ben ik het niet mee eens

42.

Check 5.1:

De Renaissance mensen hadden veel bewondering voor

a)

De Grieken en Romeinen

b)

De middeleeuwse mens

c)

De geestelijkheid

d)

De adel

43.

Check 5.2:

Een voorbeeld van een economisch gevolg van de Europese overzeese expansie is..

a)

De lokale bevolking werd financiëel uitgebuit door Europese kolonisten

b)

De lokale bevolking werd onderdrukt en vermoord door Europese kolonisten

c)

De lokale bevolking werd bekeerd tot het christendom

44.

Check 5.3:

Het streng volgen van de bijbel hoort bij..

a)

Katholiek

b)

Protestant

45.

Check 5.4:

Wat gebeurt er met Nederland nadat Willem van Oranje wordt vermoord?

(a)  

46.

Check 6.1:

Lees het onderstaande fragment:

Bij de oprichting in 1602 werd bepaald dat het kapitaal voor tien jaar zou worden ingelegd en dan zou worden teruggegeven. De eventuele winst zou aan de participanten ten goede komen. Vervolgens zou opnieuw kapitaal vergaard worden voor een tweede periode van tien jaar.

Welk begrip past hierbij?

a)

Aandelen

b)

Multinational

c)

Compagnieën

d)

Monopolie

47.

Check 6.2:

De Republiek was feitelijk een:

a)

monarchie

b)

oligarchie

c)

aristocratie

d)

democratie

48.

Check 6.3:

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

49.

Check H5 en H6:

Match de persoon met het kenmerkend aspect

a)

Lodewijk XIV

1.

streven van vorsten naar absolute macht

b)

Johannes Calvijn

2.

Protestantse reformatie die de splitsing van de kerk tot gevolg had

c)

Cristoffel Columubs

3.

Europese overzeese expansie

d)

Johan van Oldenbarnevelt (raadspensionaris van de Republiek)

4.

bijzondere plaats in staatkundig opzicht van de Republiek

e)

Jan Pieterszoon Coen (goeverneur van de VOC)

5.

Wereldwijde handelscontacten en handelskapitalisme