Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling V&A vwo 4

Total questions: 11

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Bij een inelastische reactie zal een prijsdaling leiden tot een omzetstijging.

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Maak de volgende stelling correct: 'Een reactie op een prijsstijging zal ...I... als er meer ...II... beschikbaar zijn'.

a)

I = elastischer, II = complementaire goederen

b)

I = minder elastisch, II = complementaire goederen

c)

I = elastischer, II = substitutiegoederen

d)

I = minder elastisch, II = substitutiegoederen

3.

Qv = -200P - 0,05Px + 2I, waarbij P = prijs goed, Px = prijs ander goed en I = inkomen. Wat voor type goed hoort bij functie?

a)

Een substitueerbaar goed.

b)

Een elastisch goed.

c)

Een complementair goed.

d)

Een inferieur goed.

4.

Onderstaande figuur laat verband tussen Qv en I zien. Om welk type goed gaat het?

a)

Inferieur goed

b)

Luxe goed

c)

Noodzakelijk goed

5.

Bij welke omvang van de productie zijn de totale variabele kosten progressief? De productiecapaciteit is 10.000.

a)

Tussen 0 en 6.000

b)

Tussen 4.000 en 10.000

c)

Tussen 4.000 en 6.000.

d)

Tussen 6.000 en 10.000.

6.

TK = 10.000 TVK = 8.000 . Bereken de GCK bij 100 stuks.

a)

€ 100

b)

€ 80

c)

€ 2.000

d)

€ 20

7.

Er is hier sprake van....

a)

Proportionele variabele kosten

b)

Progressieve variabele kosten

c)

Degressieve variabele kosten

d)

Al sla je me dood: ik heb geen idee.

8.

De aanbodlijn van een product verschuift evenwijdig naar links. Een mogelijke oorzaak van deze verschuiving is....

a)

Lagere leveringsbereidheid

b)

Hogere leveringsbereidheid

c)

Lagere kostprijs

d)

Hogere verkoopprijs van het product zelf

9.

De vraaglijn van een product verschuift evenwijdig naar rechts. Een mogelijke oorzaak van deze verschuiving is....

a)

een hogere prijs van het product zelf

b)

een prijsdaling van substitutiegoederen

c)

een inkomensstijging van consumenten bij een normaal goed

d)

een afname van de behoefte aan dit product

10.

In dit marktmodel ontbreken de termen Qa en Qv bij de functies, welke uitspraak is juist?

a)

Functie 1 is Qa, functie 2 is Qv.

b)

Functie 1 is Qv, functie 2 is Qa.

11.

Geef de marktomzet.

a)

8.000

b)

200

c)

40

d)

8 miljard