WorksheetsQuiz over Discreet, Continu, Nominaal, Ordinaal
Total questions: 19
Worksheet time: 25mins
Kwalitatieve data kunnen ........ of ....... zijn.
(2 antwoorden noodzakelijk)
continu
discreet
ordinaal
nominaal
Kwantitatieve data kunnen ........ of ....... zijn.
(2 antwoorden noodzakelijk)
continu
discreet
ordinaal
nominaal
Wat is een voorbeeld van discreet data?
( is dat kwalitatief of kwantitatief?)
Hoogte van een gebouw
Aantal leerlingen in een klas
Gewicht van een persoon
Temperatuur in graden
Wat is een voorbeeld van continu variabele?( meerdere antwoorden mogelijk)
Geslacht
Gewicht
Temperatuur
Leeftijd
Haarkleur
Wat is een voorbeeld van ordinale gegevens?
Temperatuur in graden Celsius
Beoordelingen van films (bijv. 1-5 sterren)
Aantal broers en zussen
Kleur van de ogen
Van wat voor type variabele is het aantal broers en zussen dat je hebt een voorbeeld?
Continue variabele
Nominale variabele
Ordinale variabele
Discrete variabele
Van welk soort variabele is de bloedgroep (A, B, AB, O) een voorbeeld?
Numerieke variabele
Nominaal variabele
medische variabele
Ordinale variabele
Van wat voor variabele is de temperatuur in graden Celsius een voorbeeld?
temperatuur variabele
discrete variabele
continu variabele
binary variabele
Is de beoordeling van een film met sterren (1-5) een voorbeeld van nominaal data of ordinale gegevens?
Continue variabele
Nominale variabele
Discrete variabele
Ordinale variabele
Wat is de kleur van de ogen van een persoon? Nominaal of ordinale variabele?
Groen
Blauw
Bruin
Nominale variabele
Ordinale variabele
Wat is de leeftijd van een persoon? Continue of discrete variabele?
20 jaar
30 jaar
40 jaar
Continue variabele
Discrete variabele
Wat is een voorbeeld van nominale gegevens?
Geslacht (man, vrouw)
Lengte van een tafel
Gewicht van een persoon
Temperatuur in graden Celsius
Geef twee voorbeelden van een discrete variabele,
Geef van beide typen kwalitatieve variabele een voorbeeld, met de naam van het type.
Geef van beide typen kwantitatieve variabele een voorbeeld, met de naam van het type.
Maak jij de opgaven van wiskunde?
Ja, in de klas
Ja, thuis
Nee, niet nodig
Nee, ik neem er geen tijd voor.
Hoe ervaar jij de wiskunde les?
Hoe kan jij het werkklimaat in de klas verbeteren?
Ik zou de opgaven uit het boek en de classroom maken als....
