wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 Wetten van Newton

Total questions: 15

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.
de eenheid van kracht is
a)
Newton
b)
Joule
c)
Kelvin
d)
Tesla
2.

Een ander naam voor nettokracht is resulterende kracht.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Uit welke onderdelen bestaat een vector

a)

Richting

b)

Grootte

c)

Richting en Aangrijpingspunt

d)

Richting, grootte en aangrijpingspunt

e)

Richting en grootte

4.

Een kracht uitoefenen is een ...

(a)  

5.

Bij gelijke krachten krijgt een grote massa een...

a)

grotere versnelling

b)

kleinere versnelling

c)

even grote versnelling

6.

Bij gelijke massa's zorgt een grote kracht voor een ...

a)

kleine versnelling

b)

geen versnelling

c)

een even grote versnelling

d)

een grote versnelling

7.

Wat is de 1e wet van Newton?

4 lines
8.

Wat is de 2e wet van Newton?

4 lines
9.

Wat is de 3e wet van Newton?

4 lines
10.

Wat is de SI-eenheid van E in de volgende formule:

E=F * s

(Gebruik eventueel de 2e wet van Newton)

a)

kgms\frac{kg\cdot m}{s}

b)

kgsm\frac{kg\cdot s}{m}

c)

kgm2s2\frac{kg\cdot m^2}{s^2}

d)

m2s2kg\frac{m^2}{s^2\cdot kg}

11.

Twee leerlingen, leerling 1 die een massa heeft van 95 kg en leerling 2 
die een massa heeft van 77 kg, zitten op identieke bureaustoelen tegenover elkaar. Leerling 1 zet zijn blote voeten op de knieën van leerling 2,
 zoals getekend in het plaatje. Leerling 1 zet zich nu plotseling met zijn 

voeten af tegen de knieën van leerling 2 waardoor beide stoelen 

in beweging komen. In deze situatie:

a)

Oefenen de leerlingen geen kracht op elkaar uit

b)

Oefent 1 een kracht uit op 2, maar 2 geen kracht uit op 1

c)

Beide leerlingen oefenen een kracht op elkaar uit, maar 2 oefent een grotere kracht uit.

d)

Beide leerlingen oefenen een kracht op elkaar uit, maar 1 oefent een grotere kracht uit

e)

Beide leerlingen oefenen een even grote kracht op elkaar uit.

12.

Een persoon duwt een blok met een massa van 30 kg. Als gevolg versnelt het blok met 0,60 m/s2.

Bereken de resulterende kracht die op het blok werkt.

(a)  

13.

Een persoon duwt een blok met een massa van 30 kg. Als gevolg versnelt het blok met 1 m/s2.

De wrijvingskracht die op het blok werkt was tijdens de versnelling gelijk aan 15 N. Bereken hiermee de spierkracht van de persoon.

(a)  

14.

Welk woord ontbreekt er?

"Een kracht komt ... in zijn eentje voor"

a)

altijd

b)

nooit

c)

soms

d)

vaak

15.

Wat wordt er met een krachtenevenwicht bedoeld?

a)

Twee of meer krachten werken op één voorwerp en die compenseren elkaar

b)

Twee of meer krachten werken op verschillende voorwerpen en die compenseren elkaar

c)

Dan is er een resulterende kracht groter dan 0 N