Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1B par 2.3 invloed van hoogte, wind en zee

Total questions: 11

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Waardoor stijgt de temperatuur op aarde?

a)

Gassen zoals CO2 zijn warm

b)

Gassen zoals CO2 houden de warmte van de zon vast

2.

Beoordeel deze stelling;

Een koude zeestroom zorgt voor een kouder klimaat aan de kust.

a)

Goed

b)

Fout

3.
Wat Is De Betekenis Van Breedteligging
a)

De ligging van een plaats ten opzicht van de evenaar uitgedrukt in graden.

b)
Boomkruinen op verschillende hoogten in een bos
c)

een denkbeeldige cirkel die op het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt

d)
Dicht ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen
4.

Met hoeveel graden daalt de temperatuur per 1000m dat je de hoogte in gaat?

a)

4°C

b)

6°C

c)

8°C

d)

1°C

5.

Zonder het broeikaseffect zou het op aarde veel warmer zijn?

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Waarom warmt de zee langzamer op?

a)

Er is veel meer zee dan land

b)

Al het water in de zee moet opwarmen

c)

Boven zee is meer wind die het afkoelt

7.

Welke stelling klopt over de temperatuur in de winter bij plek A en B? (twee antwoorden zijn juist)

a)

Plek B is kouder omdat het verder van de evenaar ligt

b)

Plek B is kouder omdat het verder van de zee ligt

c)

Plek B is kouder omdat het hoger ligt

8.
Welke invloed heeft de zee op de temperatuur in de winter?
a)
De zee bevriest en zorgt voor koude lucht.
b)
De zee is warmer dan het land en zorgt voor warme lucht. 
c)
De zee heeft geen invloed op de temperatuur.  
d)
De zee heeft geen invloed op de temperatuur, de zee brengt alleen regen. 
9.

Zeestromen verspreiden warmte over de aarde

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Wind is lucht die

a)

Beweegt van een gebied met hoge druk naar een gebied met lage druk

b)

Beweegt van een gebied met lage druk naar een gebied met hoge druk

c)

Beweegt tussen een gebied met hoge druk en een gebied met lage druk

d)

Onafhankelijk van drukgebieden over de aarde beweegt

11.

Bij een hogedrukgebied daalt de lucht

a)

goed

b)

fout