wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HV2 woordsoorten

Total questions: 43

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Hier moest Aladin zijn oom, die eigenlijk een boze tovenaar was, helpen een rotsblok opzij te duwen.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

persoonlijk vnw

c)

zelfstandig nw.

d)

naam

2.

Lang geleden leefde er eens een arme jongen, Aladin, die alleen nog zijn moeder had.

a)

bijwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bepaald hoofdtelwoord

3.

Hij probeerde op straat te overleven, samen met zijn aapje Abu.

a)

aanwijzend vnw.

b)

bezittelijk vnw.

c)

persoonlijk vnw.

d)

kww

4.

Op een dag ontmoette hij een man die beweerde zijn oom te zijn.

a)

aanwijzend vnw.

b)

persoonlijk vnw.

c)

betrekkelijk vnw.

d)

onbepaald vnw.

5.

"Wat wenst u, meester?, vroeg de geest.

a)

voorzetsel

b)

aanwijzend vnw.

c)

onbepaald vnw.

d)

vragend vnw.

6.

"Wat wenst u, meester?", vroeg de geest.

a)

bezittelijk vnw.

b)

onbepaald vnw.

c)

betrekkelijk vnw.

d)

persoonlijk vnw.

7.

Nu was het voor de gewone mensen absoluut verboden om naar de prinses te kijken, en dus moest iedereen binnen blijven.

a)

onbepaald vnw.

b)

persoonlijk vnw.

c)

wederkerig vnw.

d)

wederkerend vnw.

8.

Nu was het voor de gewone mensen absoluut verboden om naar de prinses te kijken, ..., maar Aladin verstopte zich.

a)

onbepaald vnw.

b)

wederkerig vnw.

c)

wederkerend vnw.

d)

voorzetsel

9.

..., maar toen de sultan de geschenken zag die de moeder had meegenomen, werd hij nieuwsgierig.

a)

aanwijzend vnw.

b)

betrekkelijk vnw.

c)

onbepaald vnw.

d)

persoonlijk vnw.

10.

"Als uw zoon in één nacht een paleis kan bouwen, mag hij met mijn dochter trouwen", zei hij.

a)

voorzetsel

b)

telwoord

c)

bepaald hoofdtelwoord

d)

onbepaald rangtelwoord

11.

Hij vermomde zich als lampenverkoper en ...

a)

kww

b)

hww

c)

zww

d)

werkwoord

12.

Hij bood een dienstmeisje uit het paleis aan het oude lampje te ruilen voor een nieuw.

a)

onbepaald vnw.

b)

werkwoord

c)

voorzetsel

d)

betrekkelijk vnw.

13.

Zijn vrouw was erg blij hem te zien en vertelde hem dat de tovenaar de lamp altijd bij zich droeg.

a)

hww

b)

zww

c)

kww

d)

werkwoord

14.

Ze namen de lamp en riepen de geest op. Deze bracht de tovenaar naar een onbewoond eiland.

a)

persoonlijk vnw.

b)

onbepaald vnw.

c)

betrekkelijk vnw.

d)

aanwijzend vnw.

15.

Deze bracht de tovenaar naar een onbewoond eiland aan de andere kant van de wereld.

a)

onbepaald vnw.

b)

voorzetsel

c)

lidwoord

d)

bijwoord

16.

Wat is de woordsoort?

Omdat de boom dood is, haalt een gespecialiseerd bedrijf hem weg.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

17.

Wat is de woordsoort?

Tot mijn schrik verhuist Hans naar Utrecht.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

18.

Wat is de woordsoort?

Tot mijn schrik verhuist Hans naar Utrecht.

a)

bepaald lidwoord

b)

onbepaald lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

19.

Wat is de woordsoort?

Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.

a)

telwoord

b)

bijwoord

c)

voorzetsel

d)

voegwoord

20.

Wat is de woordsoort?

Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.

a)

telwoord

b)

bijwoord

c)

voorzetsel

d)

voegwoord

21.

Wat is de woordsoort?

Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.

a)

telwoord

b)

bijwoord

c)

voorzetsel

d)

voegwoord

22.
Heb je je hieraan gesneden? Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
pers.vnw
b)
aanw.vnw
c)
bijv.nw
d)
znw
23.
Ik heb je fiets even geleend.HET GEKLEURDE WOORDSOORT = 
a)
aanw.vnw
b)
bijv.nw
c)
bez.vnw
d)
znw
24.
Die fiets van jou is veel beter dan die van mij. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
bez.vnw
b)
pers.vnw
c)
bijv.nw
d)
aanw.vnw
25.
We hadden ons erg verheugd op hun bezoek. Wat is het gekleurde woordsoort?
a)
vragend vnw
b)
bez.vnw
c)
aanw.vnw
d)
pers.vnw
26.

Hij had op het vierde rapport heel wat onvoldoendes.

Vierde =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

27.

Er waren elf leerlingen gaan betogen vorige week.

elf =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

28.

Sommige leerlingen kozen voor de optie sport.

sommige =

a)

een bepaald hoofdtelwoord

b)

een bepaald rangtelwoord

c)

een onbepaald hoofdtelwoord

d)

een onbepaald rangtelwoord

e)

geen telwoord

29.

De archeopteryx, die in het late Jura leefde, is een vliegende dinosauriër, die ook wel oervogel genoemd wordt.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

30.

Wie weet het antwoord op die vraag?

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

31.

Dit najaar gaan we verhuizen naar het westen van het land, wat wij als kinderen erg vervelend vinden.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

32.

Dit najaar gaan we verhuizen naar het westen van het land, wat wij als kinderen erg vervelend vinden.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

33.

Wie steelt en inbreekt, moet niet gek opkijken als hij vroeg of laat gepakt wordt en op dat moment de straf krijgt die hij verdient.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Aanwijzend voornaamwoord

c)

Zelfstandig voornaamwoord

d)

Vragend voornaamwoord

34.

Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

35.

Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

36.

Herinnert u zich nog dat u moet nakijken?

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

vragend voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

wederkerend voornaamwoord

37.

Benoem de woordsoort:

Zulke boeken leest zij nooit

a)

vragend voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

wederkerig voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

38.

Heb je je vergist met het maken van die som?

je is een

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

wederkerend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

39.

Zij is voorzitter geweest.

Onderstreept woord is een:

a)

Zelfstandig werkwoord

b)

Koppelwerkwoord

c)

Hulpwerkwoord

40.

Onderschikkende voegwoorden verbinden meestal een bijzin aan een hoofdzin.

a)

Waar

b)

Niet waar

41.

In mijn categorie van de wedstrijd deden er maar weinig mee.

Onderstreept woord is een:

a)

Bepaald hoofdtelwoord

b)

Onbepaald hoofdtelwoord

c)

Bepaald rangtelwoord

d)

Onbepaald rangtelwoord

42.

Jullie vergissen je, we beginnen pas het tweede uur.

Onderstreept woord is een:

a)

Aanwijzend voornaamwoord

b)

Onbepaald voornaamwoord

c)

Wederkerig voornaamwoord

d)

Wederkerend voornaamwoord

43.

Wat is het onderstreepte woordsoort: Bas en Tom proberen elkaar niet af te leiden.

a)

Pers. vnw

b)

bez. vnw

c)

wederkerig vnw

d)

wederkerend vnw