wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RT Nederlands Herhaling GT Kerstmis

Total questions: 106

Worksheet time: 1hrs 24mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer spreekt men van een WWG?

a)

Wanneer iemand iets doet.

b)

Wanneer iemand iets is.

2.

We hebben onze tanden gepoetst.

a)

WWG

b)

NWG

3.

De leerkracht blijft ons maar oefeningen geven!

a)

WWG

b)

NWG

4.

Wanneer spreekt men van een NWG?

a)

Wanneer iemand iets doet.

b)

Wanneer iemand iets is.

5.

In augustus word ik eindelijk 16 jaar!

a)

WWG

b)

NWG

6.

Ik zou dat niet meer hebben opgegeten!

a)

WWG

b)

NWG

7.

Deze winter was best warm.

a)

WWG

b)

NWG

8.

Ik zal nog hard moeten studeren!

a)

WWG

b)

NWG

9.

De Sint-Martinusscholen blijft de leukste school!

a)

WWG

b)

NWG

10.

De meeste kinderen lusten graag snoep en chips.

a)

WWG

b)

NWG

11.

Heb je de afgelopen week genoeg geslapen?

a)

WWG

b)

NWG

12.

Heb je de afgelopen week genoeg geslapen?

Welke vormen van het werkwoord vind je in deze zin?

a)

PV

b)

PV + INF

c)

PV + VD

13.

Ben jij een moeilijke slaper?

a)

WWG

b)

NWG

14.

Twee derde van de volwassenen krijgt niet de aanbevolen acht uur slaap per nacht.

a)

WWG

b)

NWG

15.

Dat verbaast je waarschijnlijk niet.

a)

WWG

b)

NWG

16.

De gevolgen zijn verrassend.

a)

WWG

b)

NWG

17.

Minder dan zes of zeven uur slaap is erg ongezond.

a)

WWG

b)

NWG

18.

De kans op kanker neemt hierdoor toe.

a)

WWG

b)

NWG

19.

Door slaaptekort kunnen mensen sneller de ziekte van Alzheimer krijgen.

a)

WWG

b)

NWG

20.

Door slaaptekort kunnen mensen sneller de ziekte van Alzheimer krijgen.

Welke vormen van het werkwoord vind je in deze zin?

a)

PV

b)

PV + INF

c)

PV + VD

21.

Het verstoort de bloedsuikerspiegel.

a)

WWG

b)

NWG

22.

Het verstoort de bloedsuikerspiegel.

Welke vormen van het werkwoord vind je in deze zin?

a)

PV

b)

PV + INF

c)

PV + VD

23.

Kort slapen vergroot de kans op dichtslibbende slagaders.

a)

WWG

b)

NWG

24.

Bij slaaptekort krijg je ook meer behoefte aan ongezond eten.

a)

WWG

b)

NWG

25.

Hierdoor word je dikker.

a)

WWG

b)

NWG

26.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Onder de hoge temperaturen zochten de mensen naar verkoeling in het zwembad.

(a)  

27.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Mijn vriendin en ik gaan vanavond naar de bioscoop.

(a)  

28.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Van de hoge duikplank springt de jongen moedig het water in.

(a)  

29.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

Waarom gaat hij morgen niet mee naar de wedstrijd?

(a)  

30.

In welke vorm staat het werkwoord?

De toetsenperiode is heel vervelend.

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

31.

In welke vorm staat het werkwoord?

Stuur me de presentatie zo snel mogelijk.

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

32.

In welke vorm staat het werkwoord?

Wees voorzichtig bij het oversteken van de straat!

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

33.

In welke vorm staat het werkwoord?

Waarom heb je niet een mooie roman geschreven?

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

34.

In welke vorm staat het werkwoord?

We hebben heerlijk gegeten in dat restaurant.

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

35.

In welke vorm staat het werkwoord?

Zij heeft haar diploma behaald.

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

36.

In welke vorm staat het werkwoord?

De auto is net gerepareerd.

a)

PV

b)

INF

c)

IMP

d)

VD

37.

WWG of NWG?

De reacties zijn lovend .

a)

WWG

b)

NWG

38.

WWG of NWG?

Met exact 1 129 500 blokjes heeft Sean Kenney deze dieren gebouwd.

a)

WWG

b)

NWG

39.

WWG of NWG?

In Europa is de expositie in Planckendael de primeur geweest.

a)

WWG

b)

NWG

40.

De meester ... (versieren) de stoel van de juf.

(a)  

41.

De kinderen ... (lachen) met de mopjes.

(a)  

42.

Anna ... (rijden) met haar fiets door het bos.

(a)  

43.

De voetballer heeft de goal ... (missen).

(a)  

44.

Daan en Lena ... (schommelen) vaak in de speeltuin.

(a)  

45.

... (Worden) jij afgehaald door je ouders?

(a)  

46.

We hebben de honden ... (vastbinden).

(a)  

47.

Je ... (vinden) dat toch niet erg?

(a)  

48.

... (Schrijven) Renske graag veel verhalen?

(a)  

49.

Zij ... (blazen) 50 kaarsjes uit met z'n tweeën.

(a)  

50.

Mattias ... (werken) veel op Bingel.

a)

werk

b)

werkt

c)

werken

51.

... (Antwoorden) het meisje op de quizvragen?

a)

Antwoord

b)

Antwoort

c)

Antwoordt

d)

het juiste antwoord staat hier niet

52.

Ik ... (zijn) bang van spinnen.

a)

zijn

b)

is

c)

ben

d)

heb

53.

Ik ... (durven) niet in het spookhuis.

a)

durf

b)

durv

c)

durven

54.

... (houden) jij ook zo van emoji's?

a)

Houd

b)

Hout

c)

Houdt

d)

Houden

55.

... (Schudden) jij de kaarten even?

a)

Schut

b)

Schuddt

c)

Schudt

d)

Schud

56.

Jij ... (schudden) de kaarten.

a)

schudt

b)

schud

c)

schut

d)

schudden

57.

Mijn oma ... (bidden) elke dag drie keer.

a)

bid

b)

bidt

c)

bit

d)

bidden

58.

Duid alles aan wat mogelijk is!


Zij ... (werken) aan een poster.

a)

werkt

b)

werk

c)

werken

59.

Duid alles aan wat mogelijk is!


Zij ... (zullen) morgen werken.

a)

zul

b)

zal

c)

mag

d)

zult

60.

U (naderen) een voorrangsweg.

(a)  

61.

Waarom (antwoorden) je nooit als zij iets vraagt?

(a)  

62.

Wie (leiden) dit spel?

(a)  

63.

Ik (benijden) je om die mooie kans die je krijgt.

(a)  

64.

De leerkracht (bieden) elke maandagmiddag inhaalles aan.

(a)  

65.

Wanneer (landen) het vliegtuig in Alghero?

(a)  

66.

(Lijden) je opa aan dementie?

(a)  

67.

De architect (tekenen) een nieuw plan.

(a)  

68.

Klas 2AB (winnen) elke wedstrijd.

(a)  

69.

Ik (winden) er geen doekjes om.

(a)  

70.

Dit bord (gelden) voor de hele straat.

(a)  

71.

Welke klas (worden) dit schooljaar kampioen?

(a)  

72.

Mathis (rijden) sneller met de fiets dan Wout Van Aert.

(a)  

73.

Louis, (snijden) je even de klasfoto uit de krant aub?

(a)  

74.

(Wenden) je tot de minister met deze vraag.

(a)  

75.

Duid alle samenstellingen aan.

a)

superleuk

b)

onrecht

c)

futloos

d)

driesterrenhotel

76.

Duid alle afleidingen aan.

a)

achteruitgang

b)

wanhoop

c)

avontuurlijk

d)

maximumsnelheid

77.

Wat is de juiste term voor deze beschrijving?


Wat krijg je als je aan een grondwoord een voorvoegsel en/of achtervoegsel toevoegt?

a)

een afleiding

b)

een samenstelling

c)

een grondwoord

78.

Wat is de juiste term voor deze beschrijving?


Wat krijg je als je twee of meer grondwoorden samenvoegt?

a)

een afleiding

b)

een samenstelling

c)

een grondwoord

79.

Wat zijn de kenmerken van een helder bericht?

a)

duidelijk en kort

b)

duidelijk en volledig

c)

kort en bondig

d)

volledig en onduidelijk

80.

Vervang door een samenstelling.


Een console waar je op speelt...

a)

een speelconsole

b)

een spelconsole

c)

een Xbox

d)

een consolespel

81.

Vervang door een samenstelling.


zo blauw als de hemel...

a)

helsblauw

b)

hemelblauw

c)

hemelsblauw

d)

blauwhemel

82.

Vervang door een afleiding.


Iemand die laf is...

(a)  

83.

Vervang door een afleiding.


zonder moeite...

(a)  

84.

Is het onderstaande woord een samenstelling of afleiding?

aardbeientaart

a)

samenstelling

b)

afleiding

85.

Is onderstaand woord een grondwoord - samenstelling of afleiding?

spelletje

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

86.

Wat is een grondwoord?

a)

spek

b)

fietser

c)

gebukt

d)

onveilig

87.

Is 'roodachtig' een afleiding?

a)

ja

b)

nee

88.

Is 'hamster' een afleiding?

a)

ja

b)

nee

89.

Is 'onwettig' een afleiding?

a)

ja

b)

nee

90.

mooier

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

91.

boomhut

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

92.

deken

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

93.

kleiner

a)

grondwoord

b)

samenstelling

c)

afleiding

94.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Om problemen te ... houd je best rekening met deze tips.

a)

appreciëren

b)

vermijden

c)

beschrijven

d)

observeren

e)

akkoord gaan met

95.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Om problemen te ... houd je best rekening met deze tips.

a)

appreciëren

b)

vermijden

c)

beschrijven

d)

observeren

e)

akkoord gaan met

96.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Het is belangrijk om duidelijke en respectvolle ... te geven na een spreekbeurt.

a)

feedback

b)

concrete

c)

beschrijving

d)

ordening

e)

fragment

97.

Duid het passende synoniem aan: appreciëren.

a)

waarderen

b)

instemmen

c)

ontwijken

d)

bekijken

e)

ordenen

98.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Vind jij die definitie ook zo ...? Ik kan hem echt niet onthouden.

(a)  

99.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De leerlingen vullen een ... in over de vergroening van de speelplaats: ze kunnen hun mening en ideeën geven.

(a)  

100.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

Die jongen is laatst gezien in dat café. Kan je eens een ... van zijn uiterlijk geven?

(a)  

101.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De leerkracht zal alle leerlingen tijdens de oefeningen ... of gadeslaan.

(a)  

102.

Vul de zin aan met een passend schooltaalwoord.

De leerkracht zal alle leerlingen tijdens de oefeningen ... of gadeslaan.

(a)  

103.

Geef een synoniem voor: wellicht, waarschijnlijk.

(a)  

104.

Geef een synoniem voor: altijd, elke keer.

(a)  

105.

Geef een synoniem voor: duidelijk.

(a)  

106.

Geef een synoniem voor: opeens.

(a)