wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2 spelling 3HV NN

Total questions: 25

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Vul in: Kas stond met zijn stripboeken op de boekenmarkt en heeft ze _____ verkocht.

a)

alle

b)

allen

c)

all

d)

er komt een 'n' achter omdat het om mensen gaat.

2.

Vul in: Van die planten zou ik er wel ___ willen hebben.

a)

enkel

b)

enkelen

c)

enkele

d)

velen

3.

Waar wordt 'allen' goed gebruikt?

a)

Allen kinderen zijn geslaagd voor het examen.

b)

Alle kinderen zijn geslaagd voor het examen.

c)

Allen leden waren uitgenodigd maar slechts enkele leden kwamen.

d)

Allen waren uitgenodigd maar slechts enkele leden kwamen.

4.

Welke zin is correct?

a)

Allen van de studenten hebben de test gehaald.

b)

Alle van de studenten hebben de test gehaald.

c)

Allen studenten hebben de test gehaald.

d)

Alle studenten hebben de test gehaald.

5.

De leraar vroeg de leerlingen om een opstel te schrijven maar slechts ______ voltooiden de opdracht.

a)

enkele

b)

velen

c)

weinige

d)

sommigen

6.

Tijdens het feest waren er _____ die zich op de dansvloer waagden terwijl anderen aan tafel praatten.

a)

enkelingen

b)

velen

c)

weinige

d)

sommigen

7.

Wat is een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord?

a)

Een bijvoeglijk naamwoord dat alleen bij zelfstandige naamwoorden hoort.

b)

Een bijvoeglijk naamwoord dat altijd voor een zelfstandig naamwoord staat.

c)

Een zelfstandig naamwoord dat van een bijvoeglijk naamwoord is gemaakt.

d)

Een bijvoeglijk naamwoord dat alleen bijvoeglijke naamwoorden beschrijft.

8.

Na het examen waren _________ van de _____________ direct naar huis gegaan.

a)

enkele - geslaagden

b)

enkelen - geslaagde

c)

enkele - geslaagde

d)

enkelen - geslaagden

9.

Tijdens de excursie verzamelde de gids ______ interessante feiten.

a)

enkele

b)

allen

c)

sommigen

d)

verscheidenen

10.

Het antwoord was door ________ goed beantwoord. Helaas waren de ________ antwoorden fout.

a)

enkele - meesten

b)

enkelen - meeste

c)

enkelen - meesten

d)

enkele - meeste

11.

De chef deelde taken uit. _______ kregen _________ verantwoordelijkheden.

a)

Sommige - enkele

b)

Sommigen - enkele

c)

Sommige - enkelen

d)

Sommigen - enkelen

12.

De ________ schepten ruimschoots op waardoor er voor de ________ weinig over bleef.

a)

eerste - laatste

b)

eersten - laatsten

c)

eerste - laatsten

d)

eersten - laatste

13.

Op Texel zag ik wel ___________ vogels. ___________ waren extreem mooi.

a)

honderden - Enkelen

b)

honderde - Enkele

c)

honderde - Enkelen

d)

honderden - Enkele

14.

Behoren jullie tot de _________ die de_________ dieren kunnen helpen?

a)

beste - meesten

b)

besten - meeste

c)

beste - meeste

d)

besten - meesten

15.

Kies de juiste zin.

a)

Zij kwamen als eerste over de finish.

b)

Waar zijn je boeken gebleven? Heb je ze alle tweedehands?

c)

Ilse zocht enkele armbandjes uit en kocht de goedkoopste.

d)

Ilse zocht enkele armbandjes uit en kocht de goedkoopsten.

16.

Welke uitleg klopt bij deze zin?
De favorieten presteerden boven verwachting.

a)

Deze zin is fout omdat je 'favoriete' moet schrijven.

b)

Deze zin is goed omdat 'favorieten' een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord is dat verwijst naar mensen.

c)

Deze zin is fout omdat het gaat om een bijvoeglijk naamwoord dat foutief zelfstandig is gebruikt.

d)

Deze zin is goed omdat 'presteerden' zelfstandig is gebruikt en verwijst naar een bijvoeglijk naamwoord.

17.

au/ou

Hier in de Kabelj__wstraat kun je je wenkbr__wen laten verven.

a)

ou - au

b)

ou - au

c)

au - ou

d)

au - au

18.

ou/au

Verb__wereerd verwijderde de weth__der zijn acc__nt,

a)

ou - ou - ou

b)

ou - au - ou

c)

au - au - ou

d)

au - ou - ou

19.

ou/au

De atmosfeer in het regenw__d, ben__wde de expeditieleden.

a)

ou - ou

b)

au - ou

c)

ou - au

d)

au - au

20.

Het gaat om de beklemtoonde lettergreep. Bij woorden die eindigen op -ie ...... bij meervoud.

a)

voeg je een -n toe en een trema op de 'e'

b)

voeg je -en toe

c)

zet je een trema op de 'e' en voeg je een -s toe

d)

voeg je -en toe en zet je een trema op de tweede 'e'

21.

Welk woord is fout geschreven?

a)

poriën

b)

raderen

c)

tralieën

d)

utopieën

22.

Welk woord is fout geschreven?

a)

theoriën

b)

traliën

c)

leliën

d)

fobiën

23.

Wat is een homograaf?

a)

Dat zijn twee verschillende woorden die je hetzelfde schrijft.

b)

Dat zijn twee dezelfde woorden die bijna hetzelfde betekenen.

c)

Dat zijn twee woorden die je anders uitspreekt maar bijna hetzelfde betekenen.

d)

Dat zijn twee woorden die je hetzelfde schrijft maar anders uitspreekt en die een andere betekenis hebben.

24.

Een voorbeeld van een homograaf is:

a)

voornaam en bank

b)

minister en verspringen

c)

overwegen en blind

d)

overbelast en belasting

25.

Kies de goede zin.

a)

De ruiter en zijn paard vielen allebei in het water.

b)

De ruiter en zijn paard vielen beiden in het water.

c)

De ruiter en zijn paard vielen beide in het water.

d)

De ruiter en zijn paard vielen allebeiden in het water.