wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling trimester 1 Nederlands 1B

Total questions: 151

Worksheet time: 2hrs 53mins

Name
Class
Date
1.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

2.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

3.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

4.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

5.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

6.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

7.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

8.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

9.

Welk geluid maakt dit dier?

(a)  

10.

Fictie of non-fictie? Een brief van school bij je rapport.

a)

Fictie

b)

Non-fictie

11.

Fictie of non-fictie? Een aflevering van The Walking Dead.

a)

Fictie

b)

Non-fictie

12.

Fictie of non-fictie? Een tekst in je aardrijkskundeboek over aardbevingen.

a)

Fictie

b)

Non-fictie

13.

Fictie of non-fictie? Een stripverhaal Suske en Wiske.

a)

Fictie

b)

Non-fictie

14.

Fictie of non-fictie? Een nieuwsbericht

a)

Fictie

b)

Non-fictie

15.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord fietsenrek?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

16.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord appel?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

17.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord boekentas?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord boom?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

19.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord telefoonhoes?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

20.

Vul de puntjes in. k...enhok

a)

ip

b)

ipp

21.

Vul de puntjes in. hooiv...en

a)

ork

b)

orkk

22.

Vul de puntjes in. regenw...en

a)

olk

b)

olkk

23.

Vul de puntjes in. melkfl...en

a)

es

b)

ess

24.

Typ de zin over. Let op je hoofdletters en leestekens.


marie krijgt een nieuwe fiets

(a)  

25.

Typ de zin over. Let op hoofdletters en leestekens?


welke sport doe je graag

(a)  

26.

Typ de zin over. Let op hoofdletters en leestekens?


stop met lawaai maken

(a)  

27.

Welke zin is correct?

a)

Schrijf jij met Nieuwjaar nog een nieuwjaarsbrief?

b)

Schrijf jij met Nieuwjaar nog een Nieuwjaarsbrief?

28.

Welk leesteken is correct?


Wat doe je graag in je vrije tijd

a)

.

b)

?

c)

!

29.

Welk leesteken is correct?


In mijn klas zitten 10 leerlingen

a)

!

b)

?

c)

.

30.

Welk leesteken is correct?


Gelukkige verjaardag

a)

!

b)

.

c)

?

31.

Welk leesteken is correct?


Luister je wel goed naar de leerkrachten

a)

!

b)

?

c)

.

32.

Welk leesteken is correct?


Ik heb niet zo een goed resultaten op mijn rapport

a)

?

b)

!

c)

.

33.

Welk leesteken past het best aan het eind van deze zin?

"Een van hen had een emmer, de tweede had een drilboor en de derde een spade"

a)

?

b)

!

c)

.

34.

Welk woord (en) moet met een hoofdletter?

deze winter sneeuwt het veel.

(a)  

35.

Welk woord (en) moet met een hoofdletter?

peter geeft een bloem aan anne.

(a)  

36.

Welke woord(en) schrijf je met een hoofdletter?

mieke woont in het zuiden van frankrijk.

(a)  

37.

Welke woord(en) schrijf je met een hoofdletter?

pieter heeft vorige week de sahara bezocht.

(a)  

38.

Welke woord(en) schrijf je met een hoofdletter?

Met sinterklaas krijg ik veel pepernoten en cadeautjes.

(a)  

39.

Welke woord(en) schrijf je met een hoofdletter?

achterin de tuin staat een grote vijgenboom.

(a)  

40.

Wanneer gebruik je hoofdletters?

a)

aan het begin van een zin

b)

bij namen van bedrijven en merken

c)

bij de indeling van tijd

41.

Welk woord (en) schrijf je met een hoofdletter?

de walvissen zwommen met een grote groep rond de boot.

(a)  

42.

Zoek de persoonsvorm:

Volgende week ga ik met mijn vriendin naar de bios.

a)
ga
b)
ik
c)
mijn vriendin
d)
week
43.

Zoek de persoonsvorm:

Bij biologie zitten we op de eerste rij.

a)
we
b)
biologie
c)
zitten
d)
rij
44.

Zoek de persoonsvorm:

Ik wil ook wel eens een film in de klas kijken.


a)
ik
b)
wil kijken
c)
wil
d)
in de klas
45.

Zoek de persoonsvorm:

Ik ben gestruikeld over het snoer van mijn laptop.

a)
het snoer
b)
ik
c)
ben
d)
ben gestruikeld
46.

Zoek de persoonsvorm:

Je moet voor de presentatie de vragen goed beantwoorden.

a)

vragen

b)
moet beantwoorden
c)
beantwoorden
d)
moet
47.

Zoek het onderwerp:

Ik speelde gisteren urenlang games op de computer.

a)
speelde
b)
ik
c)
games
d)
op de computer
48.

Zoek het onderwerp:

De veiligheidsdienst heeft het deze dagen heel druk.

a)
deze dagen
b)
de veiligheidsdienst
c)
heeft
d)
heeft druk
49.

Zoek het onderwerp:

De president spreekt de Franse bevolking toe.

a)
Franse
b)
spreekt
c)
spreekt toe
d)
de president
50.

Zoek het onderwerp:

Uit eerbetoon kleurde de Eifeltoren blauw, wit en rood.

a)
de Eifeltoren
b)
eerbetoon
c)
kleurde
d)
wit
51.

Zoek het onderwerp:

Op veel plaatsen werd maandag een minuut stilte gehouden.

a)
plaatsen
b)
maandag
c)
een minuut
d)
een minuut stilte
52.

Maak de zin af. De persoonsvorm is altijd...

a)

een woord

b)

een werkwoord

c)

een persoon

d)

een zelfstandig naamwoord

53.

Maak de zin af: Als het onderwerp enkelvoud is,

a)

dan is de persoonsvorm ook enkelvoud

b)

dan is de persoonsvorm meervoud

54.

De persoonsvorm vind je via de vraagproef. Wat is dat?

a)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste woord.

b)

Maak de zin vragend en kies dan de eerste persoon.

c)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste werkwoord.

55.

Wat is de persoonsvorm:

Jan gaat niet graag naar school.

a)

Jan

b)

gaat

c)

graag

d)

school

56.

Wat is de persoonsvorm:

Waarom gaat Jan niet graag naar school?

a)

Waarom

b)

gaat

c)

Jan

d)

graag

57.

Wat is de persoonsvorm:

Gisteren wilde Jan niet graag naar school gaan.

a)

Gisteren

b)

wilde

c)

Jan

d)

gaan

58.

Die arme man bevindt zich in een moeilijke ...........

a)

situatie

b)

kenmerk

c)

fragment

59.

Dat meisje wil met haar felgekleurde kledij ...........

a)

opvallen

b)

achterhalen

c)

vergelijken

d)

beoordelen

60.

Het meest opvallende ........... van de zebra is zijn wit met zwarte strepenpatroon.

a)

kenmerk

b)

situatie

c)

fragment

61.

De leraar ........... wie extra oefeningen moet maken.

a)

bepaalt

b)

overloopt

c)

achterhaalt

d)

vergelijkt

62.

Ik kan niet ........... of hij toen afwezig was.

a)

achterhalen

b)

voorstellen

c)

overlopen

d)

opvallen

63.

In de cinema toonden ze een ........... uit die nieuwe film.

a)

fragment

b)

situatie

c)

kenmerk

64.

Appels en peren kun je niet met elkaar ...........

a)

vergelijken

b)

opvallen

c)

achterhalen

d)

beoordelen

65.

Het is niet zo gemakkelijk om jezelf na een spreekoefening te ...........

a)

beoordelen

b)

overbrengen

c)

overlopen

d)

opvallen

66.

Vanavond moet ik de leerstof ........... en instuderen

a)

overlopen

b)

achterhalen

c)

vergelijken

d)

beoordelen

67.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: volgen

(a)  

68.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: helpen

(a)  

69.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: krijgen

(a)  

70.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: testen

(a)  

71.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: berekenen

(a)  

72.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: vergeten

(a)  

73.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: liggen

(a)  

74.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: blijven

(a)  

75.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: leren

(a)  

76.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: staan

(a)  

77.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: kiezen

(a)  

78.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: vrezen

(a)  

79.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: doen

(a)  

80.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: slaan

(a)  

81.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: drukken

(a)  

82.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: schuiven

(a)  

83.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: boren

(a)  

84.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: bevestigen

(a)  

85.

Geef de stam voor het volgende werkwoord: maken

(a)  

86.
Meester Pieter speelt basgitaar bij een bandje uit de buurt.
Het onderwerp in de zin is;
a)
meester
b)
Pieter
c)
meester Pieter
d)
bandje uit de buurt
87.
Eet de papegaai enkel nootjes of ook iets anders?
Het onderwerp in deze zin is:
a)
de papegaai
b)
enkel nootjes
c)
iets anders
88.
Op zijn laatste toets van Frans behaalde Frank een mooi resultaat.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
zijn laatste toets van Frans
b)
Frank
c)
Frans
d)
een mooi resultaat
89.
Een agent heeft aan het drukke kruispunt het verkeer goed in de war gestuurd.
De persoonsvorm is:
a)
heeft
b)
drukke
c)
gestuurd
90.
Iedere zondag komt de hele familie samen bij oma en opa om gezellig bij te babbelen.
Het onderwerp is:
a)
iedere zondag
b)
de hele familie
c)
oma en opa
91.
Anneke vertelde Marieke het geheim van haar broer.
Het onderwerp in deze zin is:
a)
Anneke
b)
Marieke
92.

Ik loop naar school.

Het onderwerp in deze zin is:

a)

Ik

b)

loop

c)

naar school

d)

school

93.

Hij kookt voor zijn zieke moeder.

Het onderwerp is:

a)

Hij

b)

kookt

c)

voor zijn zieke moeder

d)

zijn zieke moeder

94.

Gisteren was het mooi weer.

De persoonsvorm in deze zin is:

a)

gisteren

b)

was

c)

het

d)

mooi weer

95.

Mijn moeder is lief.

Het onderwerp in deze zin is:

a)

Mijn moeder

b)

is

c)

lief

96.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

draken

b)

draaken

97.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

draken

b)

draaken

98.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

strep

b)

streep

99.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

belton

b)

beltoon

100.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

natur

b)

natuur

101.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

pard

b)

paard

102.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

pech

b)

peech

103.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

botten

b)

bootten

104.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

muziek

b)

muuziek

105.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

kantoor

b)

kaantoor

106.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

leven

b)

leeven

107.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

kogel

b)

koogel

108.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

ruust

b)

rust

109.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

gaast

b)

gast

110.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

leggen

b)

leeggen

111.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

gelof

b)

geloof

112.

Korte klank: één of twee klinkers?

a)

bussen

b)

buussen

113.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

allemal

b)

allemaal

114.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

voordel

b)

voordeel

115.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

beloven

b)

belooven

116.

Lange klank: één of twee klinkers?

a)

huren

b)

huuren

117.
De ........ springt in de sloot. 
a)
kikker
b)
kiker
118.

Wij drinken een fles .....

a)
watter
b)
wate
c)
water
119.

De .... zegt ia.

a)
ezel
b)
ezzel
c)
ezels
d)
eze
120.

Ik ga naar de ......

a)
kappers
b)
kapper 
c)
kaper
d)
kappen
121.

Ik heb alle ...... goed.

a)
somen
b)
sommen
c)
som
d)
sokken
122.

Jouw..... zijn mooi.

a)
klerren
b)
kleren
c)
klere
d)
klerre
123.

Wij gaan naar de .........

a)
baker
b)
baaker
c)
badder
d)
bakker
124.

De .......... hangen aan de kapstokken.

a)
jaasen
b)
jaassen
c)
jassen
d)
jasen
125.

De dief slaat ......... in.

a)
rammen
b)
raamen
c)
kammen
d)
ramen
126.

Mijn vader is zich aan het .............

a)
scheren
b)
sgeren
c)
scherren
d)
scharren
127.

Jou ............ stinken

a)
soken
b)
sokken
c)
sooken
d)
sookken
128.

Ik maakte eerst mijn huistaak wiskunde. ................ keek ik nog wat tv.

a)

Vervolgens

b)

afgelopen

c)

instructie

d)

uitspraak

129.

Ik begrijp de ................ van deze oefening niet. Kun je het mij nog eens uitleggen?

a)

bedoeling

b)

personage

c)

instructie

d)

uitspraak

130.

In mijn agenda kan ik telkens ................ welke opdrachten ik al voor de volgende les maakte.

a)

aanvinken

b)

herkennen

c)

aanduiden

d)

vervolgens

131.

De ................ week had ik drie basketbaltrainingen en één wedstrijd.

a)

afgelopen

b)

behoren tot

c)

uitspraak

d)

aanduiden

132.

Walvissen ................ de grootste dieren ter wereld.

a)

behoren tot

b)

rekening houden met

c)

aanduiden

d)

aanvinken

133.

De leraar zei me dat mijn ................ niet altijd verzorgd is. Ik moet er extra op oefenen.

a)

uitspraak

b)

aanduiden

c)

personage

d)

herkennen

134.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord school?

a)

4

b)

1

c)

2

d)

3

135.

Fictie of non-fictie? Een documentaire over de ruimte.

a)

Non-fictie

b)

Fictie

136.

Zoek de persoonsvorm:

Wij gaan morgen naar het museum.

a)

museum

b)

gaan

c)

wij

d)

morgen

137.

Zoek het onderwerp:

De leraar legt de lesstof duidelijk uit.

a)

de leraar

b)

lesstof

c)

legt

d)

duidelijk uit

138.

Fictie of non-fictie? Een documentaire over de ruimte.

a)

Non-fictie

b)

Fictie

139.

Welk leesteken is correct?


Ik ga morgen naar het concert

a)

!

b)

?

c)

.

140.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord school?

a)

4

b)

3

c)

2

d)

1

141.

Zoek het onderwerp:

De kat zit op de vensterbank.

a)

de kat

b)

zit

c)

op de vensterbank

d)

vensterbank

142.

Welk leesteken is correct?


Ik ga naar de winkel

a)

!

b)

?

c)

.

143.

Zoek de persoonsvorm:

Wij hebben gisteren een spel gespeeld.

a)

hebben

b)

gisteren

c)

een spel

d)

gespeeld

144.

Welk leesteken is correct?


Wat is jouw favoriete boek

a)

.

b)

?

c)

!

145.

Zoek de persoonsvorm:

De kinderen spelen buiten in de tuin.

a)

tuin

b)

buiten

c)

spelen

d)

kinderen

146.

Zoek het onderwerp:

De hond blaft elke ochtend als de postbode langskomt.

a)

blaft

b)

postbode

c)

de hond

d)

ochtend

147.

Welk leesteken is correct?


Waar ga je naartoe deze zomer

a)

!

b)

?

c)

.

148.

Zoek de persoonsvorm:

Wij hebben gisteren een spannende film gekeken.

a)

hebben

b)

wij

c)

film

d)

gekeken

149.

Zoek de persoonsvorm:

De kinderen spelen buiten in de tuin.

a)

de kinderen

b)

in de tuin

c)

spelen

d)

buiten

150.

Zoek het onderwerp:

De leraar legt de les uit.

a)

legt

b)

de les

c)

de leraar

d)

uit

151.

Hoeveel klankgroepen heeft het woord computer?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4