wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Natuurkunde herhaling bewegingsanalyse 3/4 vwo

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke kracht wordt uitgeoefend door een oppervlak op een voorwerp dat erop rust?

a)

Schuifwrijvingskracht

b)

Zwaartekracht

c)

Veerkracht

d)

Normaalkracht

2.

Wat is de afgeleide van de snelheid naar de tijd in een (v,t)-diagram?

a)

Verplaatsing

b)

Gemiddelde snelheid

c)

Versnelling

d)

Afgelegde afstand

3.

Wat is de eerste wet van Newton ook wel bekend als?

a)

Wet van de traagheid

b)

Wet van de actiekracht

c)

Wet van de reactiekracht

d)

Wet van de zwaartekracht

4.

Wat is de afgeleide van de plaats naar de tijd in een (x,t)-diagram?

a)

Versnelling

b)

Afgelegde afstand

c)

Verplaatsing

d)

Snelheid

5.

Wat is de formule voor de luchtweerstandskracht?

a)

Fw = 0.5 * ρ * A * Cd * v^2

b)

Fw = m * g

c)

Fw = k * x

d)

Fw = -k * v

6.

Wat is de wet van Hooke?

a)

De kracht die een veer uitoefent is recht evenredig met de uitrekking of indrukking van de veer

b)

De kracht die een veer uitoefent is recht evenredig met de massa van het voorwerp

c)

De kracht die een veer uitoefent is recht evenredig met de versnelling van het voorwerp

d)

De kracht die een veer uitoefent is recht evenredig met de snelheid van het voorwerp

7.

Wat is de formule voor de tweede wet van Newton?

a)

F = m * a

b)

F = m * g

c)

F = k * x

d)

F = -k * v

8.

Wat is de formule voor de versnelling van een beweging waarbij de snelheid constant is?

a)

a=v/t

b)

a=Δv/Δt

c)

a=d/t

d)

a=F/m

9.

Wat is de eenheid van veerconstante?

a)

N/m

b)

kg/s^2

c)

m/s^2

d)

Joule

10.

Wat gebeurt er met de veerconstante van een veer als de veer langer wordt?

a)

Het blijft hetzelfde

b)

Het neemt toe

c)

Het neemt af

d)

Het hangt af van de massa van het voorwerp

11.

Wat is de formule voor rendement?

a)

η = Euit / Ein

b)

η = Ein / Euit

c)

η = Euit * Ein

d)

η = Euit - Ein

12.

De resultante van de fietser is

a)

-30N

b)

70N

c)

-20N

d)

30N

13.

Bereken de ΔV in de 4 seconden

a)

15m/s

b)

3.75m/s

c)

-3.75m/s

d)

-15 m/s

14.
Je gooit een bal recht omhoog de lucht in. Op het hoogste punt:
a)
zijn de snelheid en versnelling van de bal nul.
b)
is de snelheid van de bal niet nul, maar de versnelling wel.
c)
is de versnelling van de bal niet nul, maar de snelheid wel.
d)
zijn de snelheid en versnelling van de bal niet nul.
15.
In onderstaande figuur zie je de (v,t)-grafieken van twee remmende auto’s P en Q. Welke uitspraak is juist?
a)
De gemiddelde snelheid van beide auto’s tijdens het remmen is gelijk.
b)
De remvertraging van P is kleiner dan die van Q.
c)
De remweg van P en Q is hetzelfde.
d)
P heeft een kortere remweg.
16.

In welk van de onderstaande grafieken zien we een constante snelheid? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

b)

c)

d)

e)

17.

Wat is de snelheid op t=1 s ?

a)

2 ms

b)

2 ms-1

c)

8 m/s

d)

-2 m/s

e)

-8 ms-1

18.

16,23 + 0,0072 =16,23\ +\ 0,0072\ =

a)

16,2382

b)

16,2

c)

16,238

d)

16,24

19.

Welke beweging maakt dit object?

a)

Het gaat met een constante snelheid naar voren

b)

Het staat stil (met een constante snelheid)

c)

het gaat met een versnelling naar voren

d)

Het gaat met een constante snelheid naar achteren

e)

Het gaat met een versnelling naar achteren