wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 Thema 10 Zintuigen Bs 6 Oren

Total questions: 27

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Houden het trommelvlies soepel?
a)
oorgang
b)
oorschelp
c)
trommelvlies
d)
oorsmeerkliertjes
2.
Regelt de luchtdruk in de trommelvlies
a)
hamer en aambeeld
b)
buis van eustachius
c)
slakkenhuis
3.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
4.
welk nummer is het slakkenhuis?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
5.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
6.
Welke nummers  hamer en aambeeld en stijgbeugel
a)
4, 5 en 10
b)
3, 4 en 5
c)
3, 4 en 6
d)
4 , 5 en 9
7.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
8.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
9.
Vanaf hoeveel decibel kan er gehoorschade optreden?
a)
60
b)
70
c)
80
d)
90
10.

Hierin zijn de gehoorzintuigcellen te vinden. Geef het nummer aan.

(a)  

11.

Via hier worden de impulsen naar de hersenen gestuurd. Geef het nummer aan.

(a)  

12.

Als je verkouden bent is er een kans op een oorontsteking, omdat...

a)

De bacteriën via het bloed naar de trommelholte kunnen gaan

b)

Bij het verkeerd snuiten de bacteriën via de buis van Eustachius in de trommelholte kunnen komen

c)

Het trommelvlies geirriteerd kan raken en er meer oorsmeer aangemaakt wordt

d)

De buis van Eustachius dan verstopt kan raken en er geen lucht meer naar de trommelholte kan

13.

Als je ineens stopt na het draaien kun je flink misselijk worden, omdat...

a)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan niet direct stilstaat en dus nog signalen van draaiing doorgeven

b)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan de andere kant op gaat en het gaat botsen

c)

Je ogen nog nabewegen van de draaiing en ze moeten herstellen en bijkomen

d)

Je ogen geen scherp beeld hebben gegeven naar de hersenen en dit even moet herstellen

14.

Als je in een vliegtuig zit, krijg je vaak pijn in je oor tijdens het stijgen. Dit komt omdat...

a)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

b)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

c)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

d)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

15.

In welke volgorde komt een geluidsprikkel uiteindelijk bij de hersenen?

a)

hamer, aambeeld, stijgbeugel, trommelvlies, zenuw, slakkenhuis

b)

trommelvlies, hamer, aambeeld, stijgbeugel, zenuw, slakkenhuis

c)

trommelvlies, hamer, aambeeld, stijgbeugel, slakkenhuis, zenuw

d)

hamer, aambeeld, stijgbeugel, slakkenhuis, trommelvlies, zenuw

16.

De sterkte van geluid wordt uitgedrukt in decibel. Vanaf ... decibel kun je op lange duur doof worden en vanaf ... decibel krijg je hevige oorpijnen.

a)

80 en 130

b)

30 en 80

c)

50 en 130

d)

130 en 180

17.

Met deel P is een evenwichtszintuig aangegeven

a)

waar

b)

niet waar

18.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
19.
Welke kleur heeft de buis van Eustachius in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
20.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
21.
Het deel dat nummer 1 aanwijst is
a)
het slakkenhuis
b)
de oorzenuw
c)
de buis van Eustachius
d)
het evenwichtszintuig
22.
De druk binnen en buiten het oor gelijk houden hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
23.
Impulsen doorgeven naar het CZS hoort bij nummer:
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
24.

Welke zin(nen) is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Dit is een hoge frequentie.

b)

Dit is een lage frequentie.

c)

Dit is een hoge toon.

d)

Dit is een lage toon.

25.

Welke zin(nen) is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Dit is een hoge frequentie.

b)

Dit is een lage frequentie.

c)

Dit is een hoge toon.

d)

Dit is een lage toon.

26.

Welke zin(nen) is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Dit is een grote amplitude.

b)

Dit is een kleine amplitude.

c)

Dit is een hard geluid.

d)

Dit is een zacht geluid.

27.

Welke zin(nen) is/zijn juist over de afbeelding?

a)

Dit is een grote amplitude.

b)

Dit is een kleine amplitude.

c)

Dit is een hard geluid.

d)

Dit is een zacht geluid.