wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De grote Bouwfyiscaquiz

Total questions: 48

Worksheet time: 2hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Warmte - Vraag 1

Welk soort warmtetransport wordt hier afgebeeld én geef hier een voorbeeld van.

a)

Geleiding

b)

Blazen over hete soep

c)

Warme lepel in een tas koffie

d)

Straling

2.

Warmte - Vraag 2

Juist of fout? Het opwarmen van een tas chocolademelk in de microgolfoven is een toepassing van warmtetransport door warmtestraling.

a)

Juist

b)

Fout

3.

Warmte - Vraag 3

Wat kan je vertellen over het aangeduid punt op volgend thermografisch beeld?

a)

Dit is de koudste gemeten temperatuur.

b)

Er is weinig warmteverlies, de constructie is waarschijnlijk goed geïsoleerd.

c)

Dit is de warmste gemeten temperatuur.

d)

Er is veel warmteverlies, de constructie is waarschijnlijk niet goed geïsoleerd.

4.

Warmte - Vraag 4

Vul aan: de λ-waarde is een toepassing van warmtetransport door ...

a)

Geleiding

b)

Stroming

c)

Straling

d)

Diffusie

5.

Warmte - Vraag 5

De totale warmtestroom is gelijk aan:

a)

U-waarde x dikte (in meter)

b)

Stroming + Straling + Geleiding

c)

De som van alle λ-waardes

d)

Het verschil tussen de R-waardes

6.

Warmte - Vraag 6

Juist of fout? De λ-waarde is afhankelijk van de dikte van het materiaal

a)

Juist

b)

Fout

7.

Warmte - Vraag 7

Welke van de volgende keramisch bakstenen isoleert thermisch het slechtst?

a)

Ploegsteert
Thermobloc
λ = 0,31 W/(m.K)

b)

Wienerberger
Thermobrick
λ = 0,26 W/(m.K)

c)

Ploegsteert
Barrybloc
λ = 0,34 W/(m.K)

d)

Wienerberger
PLS Lambda
λ = 0,29 W/(m.K)

8.

Warmte - Vraag 8

Vul aan: de R-waarde geeft ... van een constructielaag weer

a)

Het warmteverlies

b)

De warmtecapaciteit

c)

De warmtegeleiding

d)

De warmteweerstand

9.

Warmte - Vraag 9

Bereken de warmteweerstand van volgende twee constructielagen. Welke van de volgende materialen isoleert het beste volgens de opgegeven diktes?
- Knauf, EPS 032 T/G met een dikte van 18 cm en λ-waarde van 0,032 W/(m.K)
- Unilin, Utherm Wall met een dikte van 12 cm en λ-waarde van 0,022 W/(m.K)

R = dλR\ =\ \frac{d}{\lambda}

a)

Knauf, EPS 032 T/G
R-waarde = 5,63 m².K/W

b)

Unilin, Utherm Wall
R-waarde = 8,18 m².K/W

c)

Knauf, EPS 032 T/G
R-waarde = 3,75 m².K/W

d)

Unilin, Utherm Wall
R-waarde = 5,46 m².K/W

10.

Warmte - Vraag 10

Welke breedte rotswol (λ-waarde: 0,035 W/(m.K)) heeft men nodig om dezelfde warmteweerstand te realiseren als 7 cm PIR-isolatie (λ-waarde: 0,024 W/(m.K))

R = dλR\ =\ \frac{d}{\lambda}

a)

9,8 cm

b)

0,83 m

c)

20,83 cm

d)

0,10 m

11.

Warmte - Vraag 11

Mijn spouwmuur heeft een totale R-waarde van 4,50 m².K/W.
Welke U-waarde heeft deze en voldoet deze aan de EPB-eisen?
U = 1RtU\ =\ \frac{1}{R_t}

a)

U = 0,22 W/(m².K)
Dit voldoet.

b)

U = 0,22 W/(m².K)
Dit voldoet niet.

c)

U = 0,99 W/(m².K)
Dit voldoet.

d)

U = 0,99 W/(m².K)
Dit voldoet niet.

12.

Warmte - Vraag 12

Welke van de onderstaande keuzes is GEEN voorbeeld van thermische inertie?

a)

Tijdens de winter heeft men aan de kust een gematigder klimaat dan in de hoge venen door de nabijheid van de zee.

b)

Op een frisse zomeravond krijgt men het warm door met de rug tegen een stenen gevel te zitten.

c)

Tijdens een warme zomerdag heeft men zeer aan de tanden door het eten van een koud ijsje.

d)

Tijdens een frisse winteravond koelt de caravan van nonkel Freddy sneller af dan het bakstenen vakantiehuis van tante Mira.

13.

Warmte - Vraag 13

Juist of fout?
Bij een binnentemperatuur van 18°C en een buitentemperatuur van 24°C, stroomt de warmte van buiten naar binnen.

a)

Juist

b)

Fout

14.

Warmte - Vraag 14

Gegeven: de totale R-waarde v.d. scheidingsconstructie: 6,53 m².K/W
binnentemperatuur: 18 °C
buitentemperatuur: -6 °C
R-waarde constructielaag: 0,31 m².K/W
Gevraagde: de temperatuursprong door deze constructielaag?

ΔTn = RnRt. ΔT\Delta T_n\ =\ \frac{R_n}{R_t}.\ \Delta T

a)

1,14 °C

b)

5,05 °C

c)

0,88 °C

d)

4,86 °C

15.

Vocht - Vraag 1

Welke van de onderstaande uitspraken klopt niet?

a)

Dampdiffusie is het transport van waterdamp.

b)

Dampdiffusie gaat van hoge naar lage waterdampdruk.

c)

Dampdiffusie zoekt altijd een evenwichtssituatie.

d)

Dampdiffusie wordt veroorzaakt door uitwendige luchtdruk.

16.

Vocht - Vraag 2

Wat is capillariteit?

a)

Het natuurkundig verschijnsel waarbij een vloeistof doorheen de poriën van een (bouw)materiaal wordt gedrukt door luchtdruk.

b)

Het natuurkundig verschijnsel waarbij een vloeistof in een zeer fijn buisje stijgt tegen de werking van de zwaartekracht in.

c)

Het natuurkundig verschijnsel waarbij een membraan tegelijk waterdicht alsook dampopen kan zijn.

d)

Het natuurkundig verschijnsel waarbij water zich altijd een weg naar beneden zoekt.

17.

Vocht - Vraag 3

Welke van de onderstaande vochtproblemen wordt niet veroorzaakt door mortelresten in de luchtspouw?

a)

Regendoorslag

b)

Inwendige condensatie

c)

Oppervlaktecondensatie

18.

Vocht - Vraag 4

Juist of fout?
Relatieve vochtigheid is de maximale hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten.

a)

Juist

b)

Fout

19.

Vocht - Vraag 5

Hoe kan het dauwpunt bereikt worden?

a)

Door de temperatuur te doen dalen.

b)

Door waterdamp uit de lucht te halen.

c)

Door de temperatuur te doen stijgen.

d)

Door voldoende te ventileren.

20.

Vocht - Vraag 6

Neem de tabel "verzadigde waterdampspanningen" bij de hand.
Wat is de maximale waterdampconcentratie (cmax) bij 19 °C?

a)

2198 Pa

b)

17,28 g/m³

c)

2340 Pa

d)

16,30 g/m³

21.

Vocht - Vraag 7

Neem de tabel "verzadigde waterdampspanning" bij de hand.
Wat is de relatieve vochtigheid bij een heersende waterdampspanning (p) van 608 Pa
en een temperatuur van 13,3°C.
φ = ppmax. 100\frac{p}{p_{\max}}.\ 100

a)

46%

b)

25%

c)

40%

d)

92%

22.

Vocht - Vraag 8

Neem de tabel "verzadigde waterdampspanning" bij de hand.
Bereken de heersende waterdampspanning bij een relatieve vochtigheid (φ) van 35%
en een temperatuur (T) van 6,8 °C.

φ = ppmax.100\frac{p}{p_{\max}}.100

a)

1334 Pa

b)

741 Pa

c)

346 Pa

d)

258 Pa

23.

Vocht - Vraag 9

Neem de tabel "verzadigde waterdampspanning" bij de hand.
Buitenlucht van 10,5°C en een relatieve vochtigheid (φ) van 50% wordt binnengelaten en opgewarmd tot 23,2°C. Hoeveel bedraagt de relatieve vochtigheid binnen?

φ = ppmax.100\frac{p}{p_{\max}}.100

a)

45%

b)

22%

c)

61%

d)

35%

24.

Vocht - Vraag 10

Welk van de volgende materialen is het meest dampdicht?

a)

EPS isolatie
μ-waarde = 60

b)

XPS isolatie
μ-waarde = 150

c)

PUR isolatie
μ-waarde = 75

d)

rotswol
μ-waarde = 1

25.

Lucht - Vraag 1

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

ademende bouwschil

b)

schoorsteeneffect

c)

werking van ventilatiesysteem C

d)

werking van een pressurisatieproef

26.

Lucht - Vraag 2

Welke van de onderstaande kenmerken kan niet toegeschreven worden aan radon?

a)

vluchtige organische stof

b)

radioactief

c)

polluent

d)

gasvormig

27.

Lucht - Vraag 3

Juist of fout?
Het grote voordeel van ventilatiesysteem D t.o.v. ventilatiesysteem C is dat er warmteterugwinning mogelijk is en zowel toe- als afvoer in balans gebracht kunnen worden.

a)

Juist

b)

Fout

28.

Lucht - Vraag 4

Hoeveel toe- of afvoer moet er voorzien worden in een slaapkamer van 12,6 m²?
Afbeelding toont de minimaal geëiste ventilatiedebieten (residentieel)

a)

72 m³/h toevoer

b)

50 m³/h afvoer

c)

46 m³/h toevoer

d)

25 m³/h afvoer

29.

Lucht - Vraag 5

Hoeveel toe- of afvoer moet er voorzien worden in een wasruimte van 12,6 m²?
Afbeelding toont de minimaal geëiste ventilatiedebieten (residentieel)

a)

72 m³/h toevoer

b)

50 m³/h afvoer

c)

46 m³/h toevoer

d)

25 m³/h afvoer

30.

Lucht - Vraag 6

Wat wordt hier afgebeeld?

a)

Een regelbare toevoeropening

b)

Een doorstroomopening

c)

Een regelbare afvoeropening

d)

Een mechanisch ventiel

31.

Lucht - Vraag 7

In een woning wordt er 260 m³/h afgevoerd met een snelheid van 1,5 m/s
Bepaal de diameter van het ventilatiekanaal.
V = v . A
A = r² . π\pi

a)

125 mm

b)

180 mm

c)

250 mm

d)

315 mm

32.

Geluid - Vraag 1

Welk van volgende uitspraken klopt niet?

a)

Geluidsgolven hebben een medium nodig.

b)

Geluidsgolven zijn trillingen.

c)

Geluidsgolven bewegen loodrecht op de voortplantingsrichting.

d)

Geluidsgolven zijn minuscule variaties op de luchtdruk.

33.

Geluid - Vraag 2

Er zitten 4,6 seconden verschil tussen een bliksemflits en de daaropvolgende donderslag.
Hoe ver bevindt het onweer zich?

v= stv=\ \frac{s}{t}

a)

1578 m

b)

75 m

c)

1380 m

d)

6521 m

34.

Geluid - Vraag 3
Wat wordt hier aangeduid?

a)

de golflengte, dus de toonhoogte

b)

de periode, dus het ritme van het geluid

c)

de frequentie, dus de toonhoogte

d)

de amplitude, dus de geluidsterkte

35.

Geluid - Vraag 4
Twee speakers (links en rechts) produceren een verschillend geluidsdrukniveau.
De speaker links produceert 59 dB, terwijl de speaker rechts slechts 55 dB produceert.
Hoeveel bedraagt het gezamenlijke geluidsdrukniveau (Lp)?

a)

55,3 dB

b)

57 dB

c)

59 dB

d)

60,5 dB

36.

Geluid - Vraag 5
Twee speakers produceren een gelijk geluidsdrukniveau van 60 dB.
Een derde speaker produceert 61 dB. Hoeveel bedraagt het gezamenlijke geluidsdrukniveau?

a)

60,5 dB

b)

63 dB

c)

65,1 dB

d)

66 dB

37.

Licht - Vraag 1
De gevelfolie bij een gesloten gevelbekleding moet ...

a)

Dampdicht, winddicht en waterdicht zijn.

b)

Dampdicht en UV-bestendig zijn.

c)

Dampopen en UV-bestendig zijn.

d)

Dampopen, winddicht en waterdicht zijn.

38.

Licht - Vraag 2
Wat wordt hier aangeduid?

a)

De amplitude

b)

De frequentie

c)

De golflengte

d)

De periode

39.

Licht - Vraag 3
Juist of fout?
Het netvlies van het menselijk oog bevat staafjes en kegeltjes.
De staafjes zijn gevoelig voor kleur, de kegeltjes enkel voor contrast.

a)

Juist

b)

Fout

40.

Licht - Vraag 4
De studenten van online / offline graphic design (OOG) moeten voor hun opdracht een website ontwerpen.
De lector wijst hen er op dat ze volgens het RGB-kleursysteem moeten werken.
Is dit volgens additieve of subtractieve kleurmenging?

a)

Additieve kleurmenging

b)

Subtractieve kleurmenging

41.

Licht - Vraag 5
Vergelijk het rendement van een gloeilamp van 80 W en een lichtopbrengst van 750 lm met een ledlamp van 15 W en een lichtopbrengst van 905 lm.
Hoeveel zuiniger is de ene dan de andere?
η = ΦP\eta\ =\ \frac{\Phi}{P}

a)

De gloeilamp is 6,44 keer zuiniger dan de ledlamp.

b)

De ledlamp is 6,44 keer zuiniger dan de gloeilamp.

c)

De gloeilamp is 4,42 keer zuiniger dan de ledlamp.

d)

De ledlamp is 4,42 keer zuiniger dan de gloeilamp.

42.

Licht - Vraag 6
Een ledlamp van 8 W, waarvan de lichtsterkte in alle richtingen gelijk is, heeft een rendement van 75 lm/W. Bereken de lichtsterkte van de ledlamp.

η=ΦP\eta=\frac{\Phi}{P} I=ΦωI=\frac{\Phi}{\omega}

(ω = de ruimtehoek = 4.π)\left(\omega\ =\ de\ ruimtehoek\ =\ 4.\pi\right)

a)

8,4 cd

b)

20,09 cd

c)

47,75 cd

d)

117,81 cd

43.

Licht - Vraag 7
Een klaslokaal van 6m breed en 4m diep.
6 TL-lampen van 80 W hebben een lichtrendement van 75 lm/W
zo'n 45% van het uitgestraalde licht bereikt het werkvlak van de tafels.
Wat is de gemiddelde verlichtingssterkte op de lestafels?

η=ΦP\eta=\frac{\Phi}{P} E = ΦAE\ =\ \frac{\Phi}{A}

a)

288 lux

b)

675 lux

c)

148 lux

d)

333 lux

44.

EPB - Vraag 1
Welke 'aard van werken' is hier van toepassing volgens de EPB-regelgeving?
De ramen (50m²) en het dak (95m²) van een vrijstaande woning worden vernieuwd en na-geïsoleerd.
Er wordt ook een uitbreiding van 7m breed, 4m diep en 3,5m hoog gerealiseerd.
De CV ketel wordt vervangen. De totale warmteverliesoppervlakte van de woning bedraagt 350m².

a)

Nieuwbouw

b)

Ingrijpende Energetische Renovatie

c)

Renovatie

45.

EPB - Vraag 2
Welke zone wordt hier aangeduid door de pijl? De isolatielaag is aangeduid met een rode lijn.

a)

Een aangrenzend onverwarmde ruimte

b)

Een scheidingsconstructie

c)

Een ruimte horende bij het beschermde volume

d)

Een mechanisch ventiel

46.

EPB - Vraag 3
Juist of fout?
Alle scheidingsconstructies van een woning zijn ook warmteverliesoppervlaktes.

a)

Juist

b)

Fout

47.

EPB - Vraag 4
Wat heeft niets te maken met het S-peil?

a)

zonnewinsten

b)

infiltratieverliezen

c)

transmissieverliezen

d)

hernieuwbare energie

48.

EPB - Vraag 5
Welk maximaal E-peil mag een nieuwbouwwoning hebben vanaf 01/01/2024?

a)

E35

b)

E28

c)

E30

d)

E60