Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4v tijdvak 3

Total questions: 18

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

(Links: het interieur van de paltskapel van Karel de Grote in de Dom van Aken. Rechts: de troon waarop Karel de Grote tot keizer van het Heilige Roomse Rijk gekroond werd)

a)

de verspreiding van het christendom in geheel Europa.

b)

het ontstaan en de verspreiding van de islam.

c)

de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

d)

het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

2.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

Al-Baladhuri over Abu Bakr (ongeveer 890):

'Toen Abu Bakr had afgerekend met de afvalligen, besloot hij zijn troepen tegen Syrië te richten. Daartoe schreef hij aan het volk van Mekka, aan al-Ta’if, al-Yaman en alle Arabieren in de Najd en de Hijaz en riep hen op voor een jihad en maakte hen daarvoor enthousiast en ook voor de buit die ze op de Romeinen zouden veroveren. Daarom haastten de mensen zich uit alle richtingen naar Abu Bakr en naar Medina, zowel degenen die werden bewogen door hebzucht als degenen die hoopten op een goddelijke beloning.'

a)

de verspreiding van het christendom in geheel Europa.

b)

het ontstaan en de verspreiding van de islam.

c)

de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

d)

het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

3.

Bij welk kenmerkend aspect hoort deze bron?

'Als een vazal zijn heer zal willen verlaten, dan zal hij hem mogen verlaten als hij tegenover hem één van de hierna genoemde misdaden zal kunnen bewijzen, te weten: in de eerste plaats als de heer hem ten onrechte heeft willen degraderen tot de status van een onvrije, in de tweede plaats als de heer heeft samengezworen tegen zijn leven, in de derde plaats als de heer overspel heeft gepleegd met de vrouw van zijn vazal, in de vierde plaats als hij met opzet een zwaard heeft getrokken en de vazal heeft aangevallen, in de vijfde plaats als de heer in staat is geweest om zijn vazal te verdedigen nadat hij manschap heeft gedaan en dit toch niet heeft gedaan.'

a)

de verspreiding van het christendom in geheel Europa.

b)

het ontstaan en de verspreiding van de islam.

c)

de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

d)

het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

4.

Bij welk kenmerkend aspect hoort dit begrip:

herendiensten

a)

de verspreiding van het christendom in geheel Europa.

b)

het ontstaan en de verspreiding van de islam.

c)

de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

d)

het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

5.

Wat is een horige?

a)

Boer die werkt voor een heer in ruil voor bescherming.

b)

De vorst van een groot gebied die stukken gebied in leen geeft.

c)

Iemand die in kasteel woont.

d)

Een leenman

6.

Welk begrip wordt er op dit plaatje uitgelegd?

a)

Een vroonhof

b)

Autarkie

c)

Zelfvoorzienend

d)

Standenmaatschappij

7.

Uit welke standen bestond de maatschappij in de middeleeuwen?

a)

Rijke mensen, arme mensen en horigen

b)

Geestelijkheid, adel, boeren

c)

heksen, tovenaars en kruidenvrouwen.

d)

monniken, ridders en rijke mannen

8.

Welke stand is op de afbeelding te zien ?

a)

geestelijkheid

b)

edelen

c)

boeren

9.

Het tijdvak monniken en ridders valt in de periode:

a)

1000-1500 na Chr.

b)

500 v Chr. - 500 na Chr.

c)

500 - 1000 na Chr.

d)

1 - 500 na Chr.

10.

Welk rijtje over het leenstelsel - van meest belangrijk naar minst belangrijk- is juist?

a)

Achterleenman - Leenheer - Leenman

b)

Leenheer - Achterleenman - Leenman

c)

Leenman - Leenheer - Achterleenman

d)

Leenheer - Leenman - Achterleenman

11.

Na de val van het West-Romeinse Rijk verdwenen veel Romeinse voorzieningen. Welke antwoord is onjuist?

a)

Romeinse Wegen worden niet meer onderhouden, dus reizen werd lastiger

b)

Het leenstelsel verdween dus werd besturen lastiger

c)

Er waren nog maar weinig mensen die konden lezen en schrijven

d)

Er ontstond ruilhandel, omdat er eigenlijk geen geld meer was

12.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving:


Eigen gebied waarover een (land)heer de baas is.

a)

Domein

b)

Hofstelsel

c)

Koninkrijk

d)

Leenstelsel

13.

In welk rijtje staan de geestelijken van meest belangrijk naar minst belangrijk?

a)

Paus - Priester - Bisschop

b)

Bisschop - Paus - Monnik

c)

Paus - Bisschop - Priester

d)

Monnik - Paus - Bisschop

14.

Wat voor soort samenleving was er ten tijden van de Vroege Middeleeuwen?

a)

Landbouwstedelijke samenleving

b)

Landbouwsamenleving

c)

Nomadische samenleving

d)

Industriële samenleving

15.
In de tijd van monniken en ridders gingen boeren op domeinen wonen omdat...
a)
De mooiste huizen op het domein van de heer stonden
b)
Je op een domein zeker wist dat je altijd genoeg te eten had
c)
mensen dachten/hoopten dat het leven op een domein veiliger was.
d)
mensen het belangrijk vonden om bij elkaar te wonen
16.

Herendiensten zijn...

a)

Betaalde klusjes die de Heer voor de horigen moest doen

b)

Betaalde klusjes die horigen voor de heer moesten doen.

c)

Onbetaalde klusjes die de Heer voor de horigen moest doen

d)

Onbetaalde klusjes die horigen voor de heer moesten doen.

17.
Het systeem met horigen op een domein noemen we het...
a)
Leenstelsel
b)

Kroondomein

c)
Hofstelsel
d)
Leendomein
18.

Bij welk tijdvak hoort het begrip:

autarkie

a)

Tijdvak 1

b)

Tijdvak 2

c)

Tijdvak 3

d)

Tijdvak 4