wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M1 - HST3 - voorkennis

Total questions: 22

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

De meeste mensen in de Middeleeuwen waren boer.

a)

Goed

b)

Fout

2.

De adel (edelmannen of ridders) moesten de mensen verdedigen of voerden oorlog.

a)

Goed

b)

Fout

3.

Kijk naar het plaatje. Waaraan kan je zien dat de edelman belangrijk was?

a)

Aan het grote kasteel

b)

Aan de werkende boeren

c)

Aan de kleding

d)

Aan de dieren

4.

Welke groepen had je in de middeleeuwen?

a)

Boeren

b)

Stadsbewoners

c)

Geestelijken

d)

Romeinen

e)

Grieken

5.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop).

Welke godsdienst bestond al in de Romeinse tijd?

a)

De islam

b)

Het christendom

6.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop).

Welke godsdienst ontstond in de middeleeuwen?

a)

De islam

b)

Het christendom

7.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop).

Welke godsdienst verspreidde zich in de middeleeuwen?

a)

Alleen de islam

b)

Alleen het christendom

c)

De islam én christendom

8.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop).

Welk land was in de middeleeuwen grotendeels christelijk en is nu islamitisch?

a)

Egypte

b)

Marokko

c)

Turkije

9.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop).

Welk land werd in de middeleeuwen grotendeels islamitisch en is nu christelijk?

a)

Frankrijk

b)

Italië

c)

Spanje

10.

Kijk goed naar het plaatje (klik erop)

Vanaf het jaar 1000 ontstonden er weer steden in Europa.

In welke twee gebieden lagen tussen 1000 en 1500 de meeste steden?

a)

In België en Noord-Italië

b)

In Frankrijk en Scandinavië

c)

In Noord-Duitsland en Spanje

d)

In Noord-Italië en Frankrijk

11.

Van wanneer tot wanneer duurt de middeleeuwen?

a)

300-1000

b)

500-1000

c)

500-1500

d)

1000-1500

12.

Welk begrip past het beste bij de uitleg: Ambachtsman met een eigen werkplaats.

a)

Schout

b)

Gezel

c)

Meester

d)

Monnik

13.

Welk begrip past het beste bij de uitleg: Boer zonder land die voor een heer werkt.

a)

Paus

b)

Horige

c)

Meester

d)

Monnik

14.

Welke twee uitspraken zijn juist?


a)
  • Direct na de ineenstorting van het Romeinse Rijk nam de handel weer toe.

b)
  • Door de geldeconomie kwamen er voor het eerst belastingen.

c)
  • Missionarissen probeerden heidenen te bekeren.

d)
  • Om lid te worden van een gilde moest je eerst voor een heer werken.

e)
  • Voor een middeleeuwer waren priesters belangrijker dan ridders.

15.

Welk begrip past niet bij de terugkeer van de handel en steden?

a)
  • Drieslagstelsel

b)
  • Geldeconomie

c)
  • Hanze

d)
  • Hofstelsel

16.

Welke stand hoort bij de ridder?

a)

Eerste stand: geestelijken

b)

Tweede stand: Adel

c)

Derde stand: boeren en burgers

17.

Welke stand hoort bij de Gezel?

a)

Eerste stand: geestelijken

b)

Tweede stand: Adel

c)

Derde stand: boeren en burgers

18.

Welke stand hoort bij de Paus?

a)

Eerste stand: geestelijken

b)

Tweede stand: Adel

c)

Derde stand: boeren en burgers

19.

Moeilijke vraag

Aan het einde van de middeleeuwen begint een belangrijke verandering in het bestuur: koningen probeerden een centraal bestuur in te stellen. Welke twee maatregelen passen daarbij?

a)

De koning deelt zijn macht met de steden.

b)

De koning gaat overal dezelfde belastingen heffen.

c)

De koning gebruikt verschillende soorten munten.

d)

De koning laat de adel het land verdedigen.

e)

De koning stelt ambtenaren aan om hem te helpen bij het bestuur.

20.

Moeilijke vraag

Van welke groep wilde de koning in de late middeleeuwen de macht afnemen om zelf meer macht te krijgen?

a)

Van de ambtenaren

b)

Van de adel

c)

van de boeren

d)

Van de soldaten

21.

De middeleeuwen bestaan uit twee tijdvakken: de tijd van monniken en ridders en de tijd van steden en staten. Welk tijdvak past het beste bij de periode van 500-1000?

a)

Monniken en ridders

b)

Steden en staten

22.

De middeleeuwen bestaan uit twee tijdvakken: de tijd van monniken en ridders en de tijd van steden en staten. Welk tijdvak past het beste bij de periode van 1000-1500?

a)

Monniken en ridders

b)

Steden en staten