Font size
Worksheetsvoorbereiding pw Frans6 januari
Total questions: 156
Worksheet time: 1hrs 18mins
aan
(a)
een agent
(a)
helpen
(a)
het Engels
(a)
een jaar (duur)
(a)
vanmiddag
(a)
opletten, oppassen
(a)
ander
(a)
een vliegtuig
(a)
met het vliegtuig
(a)
een banaan
(a)
veel
(a)
nodig hebben
(a)
Bravo! Geweldig!
(a)
een vrachtwagen
(a)
met de vrachtwagen
(a)
een wortel
(a)
een paddenstoel
(a)
elke, iedere
(a)
begrijpen
(a)
laatste (m.)
(a)
laatste (v.)
(a)
een directeur
(a)
een directrice
(a)
gescheiden (m.)
(a)
een dokter, geneesheer
(a)
geven aan
(a)
nog
(a)
een film
(a)
een vrucht, een stuk fruit
(a)
donderdag
(a)
gitaar spelen
(a)
piano spelen
(a)
een dag
(a)
tot
(a)
een kiwi
(a)
een groente
(a)
maandag
(a)
een winkel
(a)
eten
(a)
dinsdag
(a)
een (voetbal)wedstijd
(a)
vanmorgen
(a)
boosaardig, slecht (m.)
(a)
de zee
(a)
woensdag
(a)
een miljoen
(a)
middernacht
(a)
om middernacht
(a)
een maand
(a)
de maand mei
(a)
een woord
(a)
's nachts
(a)
vannacht
(a)
een oom
(a)
een sinaasappel
(a)
omdat
(a)
spreken, praten tegen
(a)
voorbijgaan, langskomen
(a)
een land
(a)
tijdens
(a)
een beetje
(a)
bang zijn van , schrik hebben van
(a)
een peer
(a)
een appel
(a)
een aardappel
(a)
mogen, kunnen
(a)
nemen
(a)
dicht bij (de zee)
(a)
een baan, weg
(a)
een sla
(a)
zaterdag
(a)
een week
(a)
's avonds
(a)
vanavond
(a)
een tante
(a)
laatste (m.)
(a)
op de televisie
(a)
een tomaat
(a)
vallen
(a)
alles
(a)
werken
(a)
te ver
(a)
vrijdag
(a)
komen
(a)
een dorp
(a)
een stad
(a)
zien
(a)
ik zie
(a)
jij ziet
(a)
hij ziet
(a)
willen
(a)
een weekend
(a)
zwemmen
(a)
de namiddag doorbrengen
(a)
een ontbijt
(a)
een wandeling
(a)
een wandeling maken
(a)
vervolgens, dan, daarna
(a)
vertellen
(a)
een maaltijd
(a)
de school buitengaan, gaan uit de school
(a)
een avondmaal
(a)
vroeg
(a)
een buurman, een buur
(a)
een buurvrouw
(a)
na een uur
(a)
aankomen
(a)
voor de les
(a)
een boot
(a)
met de boot
(a)
een wortel
(a)
een kaart
(a)
warm (m.)
(a)
warm (v.)
(a)
warm hebben
(a)
begrijpen, verstaan
(a)
eerst
(a)
een middagmaal
(a)
een dokter, geneesheer
(a)
een vinger
(a)
geven aan Luc
(a)
slapen
(a)
een e-mail
(a)
tenslotte
(a)
ik heb warm gehad
(a)
ver
(a)
koud (m.)
(a)
het koud hebben
(a)
winnen
(a)
ik heb gewonnen
(a)
zich kleden, aankleden
(a)
ik kleed me aan
(a)
een been
(a)
spelen
(a)
met de bal spelen
(a)
kaartspelen
(a)
zich wassen
(a)
ik was me
(a)
opstaan
(a)
ik sta op
(a)
lezen
(a)
een hand
(a)
ik heb gehad
(a)
ik ben geweest
(a)
ik heb gemaakt
(a)
ik heb geslapen
(a)
ik heb genomen
(a)
ik heb begrepen
(a)
ik ben vertrokken(m.)
(a)
ik ben gekomen(m.)
(a)
ik ben buitengegaan(m.)
(a)
ik ben gevallen(m.)
(a)
ik ben gebleven(m.)
(a)
Ik ben gegaan(m.)
(a)
ik ben aangekomen (v.)
(a)
