wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden herhaling

Total questions: 22

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Deze zin staat in welke tijd?

Zij slapen in een boomhut.

a)

tegenwoordige tijd (t.t.)

b)

verleden tijd (v.t.)

2.

Bij de ik-vorm in de t.t. is het STAM + ...

a)

t

b)

dt

c)

niets

3.

Bij de jij en hij/zij-vorm in de t.t. is het STAM + T.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Wanneer 'jij' achter de persoonsvorm staat voeg je een -t toe.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Bij de 1e, 2e en 3e persoon meervoud in de t.t. is het STAM + ...

a)

EN

b)

TEN

c)

DEN

d)

niets

6.

Duid het juiste antwoord aan: Hij ... (belanden) met zijn beide voeten op de grond.

a)

belant

b)

beland

c)

belandt

7.

Annemie en Joris ... (vullen) een pot met knikkers.

a)

vullen

b)

vult

c)

vul

8.

Vul in met de t.t. : Ik ... (antwoorden) op deze vraag.

(a)  

9.

Vul in met de t.t. : ... (binden) jij dat touw vast aan een boom?

(a)  

10.

Vul in met de t.t. : Jan ... (gooien) een bal naar Jef.

(a)  

11.

Deze zin staat in welke tijd?

Zij sliepen in een boomhut.

a)

tegenwoordige tijd (t.t.)

b)

verleden tijd (v.t.)

12.

Is dit een persoonsvorm met klankverandering in de v.t. of zonder klankverandering?

De meisjes gingen naar het slaapfeestje.

a)

Met klankverandering

b)

Zonder klankverandering

13.

Nu gaan we over naar de persoonsvormen zonder klankverandering in de v.t.

Voor de 1e, 2e en 3e persoon enkelvoud gebruik je STAM + ...

a)

TE

b)

DE

c)

TEN

d)

DEN

14.

Nu gaan we over naar de persoonsvormen zonder klankverandering in de v.t.

Voor de 1e, 2e en 3e persoon meervoud gebruik je STAM + ...

a)

TE

b)

DE

c)

TEN

d)

DEN

15.

Duid de juiste pv aan in de v.t. : De sterren ... (vallen) uit de lucht.

a)

valde

b)

viel

c)

valden

d)

vielen

16.

Duid de juiste pv aan in de v.t.: De vogel ... (nemen) een tak mee naar zijn nest.

a)

nam

b)

neemt

c)

neemde

d)

namen

17.

Duid de juiste pv aan in de v.t.: Mo ... (braden) een kip.

a)

brade

b)

braadde

c)

braden

d)

bried

18.

Vul aan in de v.t.: Ik ... (verzenden) een brief naar de Sint.

(a)  

19.

Vul aan in de v.t.: Jullie ... (belanden) in de gevangenis voor deze misdaad.

(a)  

20.

Vul aan in de v.t.: Wij ... (wachten) al uren op jullie!

(a)  

21.

Vul aan in de v.t.: Jij ... (verminderen) de temperatuur met 2 °C.

(a)  

22.

Is het woord 'gegooid' een pv?

De man heeft een bal gegooid.

a)

Ja

b)

Nee