wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Jij en je geld

Total questions: 13

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Je bestelt bij een webshop een paar sportschoenen. Je betaalt ze meteen.

a)

directe ruil

b)

indirecte ruil

2.

Je hebt € 13,50 overgemaakt voor contributie van je sportverening. Op je bankrekening is € 7,50 bijgeschreven voor het wassen van je moeders auto. Het saldo op je bankrekening is nu € 56,21. Bereken hoeveel het vorige saldo op je bankrekening was.

a)

€62,21

b)

50,21

c)

56,21

d)

60,21

3.

In een winkel heb je een T-shirt gekocht. bij de winkel pin je het bedrag van je aankoop.

Wat gebeurt er met je hoeveel giraal geld?

a)

Deze blijft gelijk

b)

Deze stijgt

c)

Deze daalt

4.

Het bedrag dat op je bankrekening staat.

a)

rekening

b)

saldo

c)

bank

d)

lening

5.

Op de spaarrekening van Joke staat € 110. Na een jaar heeft de bank rente bijgeschreven. er staat dan €114,95 op de rekening. Bereken hoeveel procent de rente is die Joke ontvangen heeft.

a)

3,5%

b)

3,8%

c)

4,5%

d)

4,8%

6.

Een vergoeding die je krijgt van de bank voor jouw spaargeld.

a)

boete

b)

saldo

c)

rente

d)

zak snoep

7.

Welke geldfunctie wordt beschreven?

Ryan ziet dat bananen bij de Jumbo € 0,30 goedkoper zijn bij bij de Albert Heijn.

a)

spaarmiddel

b)

betaalmiddel

c)

rekenmiddel

d)

ruilmiddel

8.

Geld terugbetalen dat je geleend hebt.

a)

sparen

b)

aflossen

9.

Iets wat je afsluit als je kans hebt op schade en je wilt dat die schade vergoed wordt door de verzekeraar.

a)

rente

b)

aflossing

c)

verzekering

d)

spaarrekening

10.

Een bewijs dat je een verzekering hebt afgesloten.

a)

polis

b)

arbeidscontract

c)

rentepercentage

d)

premie

11.

Als je een verzekering afsluit bij een verzekeringsmaatschappij, ben jij zelf de ...

a)

Verzekeraar

b)

Premie

c)

Polis

d)

Verzekerde

12.

Als je iets wilt verzekeren kijk je naar hoeveel risico je loopt.

Wat bepaalt de hoogte van het risico?

(twee antwoorden zijn juist)

a)

Het bedrag dat je zelf bij schade moet betalen.

b)

De hoogte van de premie

c)

De kans dat je schade kan krijgen

d)

Wie de verzekeraar is

13.

Karel heeft € 2.000 nodig. Dit leent hij bij de bank. Hij spreekt af om dit in drie jaar terug te betalen aan de bank. Bereken welk bedrag hij extra moet betalen door te lenen.

a)

€ 400

b)

€ 528

c)

€ 376

d)

€ 136