wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

V5 H2 Globalsering par. 9-11

Total questions: 24

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

het gemiddeld aantal inwoners per km2.

(a)  

2.

Er wordt mondiaal gehandeld en geïnvesteerd in landbouwproducten.

(a)  

3.

Gewassen die speciaal voor de handel geteeld worden.

(a)  

4.

Situatie waarbij mensen een tekort aan vitaminen en mineralen binnenkrijgen.

(a)  

5.

Situatie waarbij mensen te weinig calorieën binnenkrijgen.

(a)  

6.

Plantaardige voedselsoorten die in een land zelf verbouwd worden.

(a)  

7.

De verkrijgbaarheid van voedsel tegen een bepaalde prijs.

(a)  

8.

Dit doet zich voor wanneer een land een bepaald product goedkoper kan produceren in vergelijking met andere producten die zij kan produceren.

(a)  

9.

Grootschalige, gemechaniseerde landbouw gericht op de wereldmarkt.

(a)  

10.

Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN.

(a)  

11.

In het DNA van dieren en voedselgewassen worden nieuwe genen aangebracht zodat ze meer opbrengen of beter tegen slechte groeiomstandigheden kunnen.

(a)  

12.

De veel hogere opbrengst in de landbouw die ontstond door het kruisen of veredelen van soorten.

(a)  

13.

Financiële tegemoetkoming van de overheid aan boeren.

(a)  

14.

De opbrengst in de landbouw als resultaat van de inzet van productiemiddelen land, kapitaal en arbeid.

(a)  

15.

Doet zich voor wanneer een gebied zich toelegt op bepaalde producten op basis van comparatieve voordelen.

(a)  

16.

Nieuwe uitvindingen ten behoeve van de landbouw.

(a)  

17.

Sterke vermindering van de bodemkwaliteit, zodat deze minder opbrengt.

(a)  

18.

Het aantal mensen dat in een gebied kan leven zonder schade te berokkenen aan de omgeving.

(a)  

19.

Bevolkingsgroepen met een cultuur of afkomst die zich onderscheidt van de meerderheid in een land.

(a)  

20.

Procentuele verdeling van het grondbezit afgezet tegen het aandeel van de bevolking.

(a)  

21.

Samenlevingsvorm waar ouders, kinderen, grootouders, ooms en tantes en hun kinderen bij horen.

(a)  

22.

Indeling van de bevolking in lagen of klassen. Meestal gebaseerd op grondbezit of inkomen.

(a)  

23.

Indeling van de bevolking naar status in de maatschappij, vooral belangrijk voor de positie van vrouwen en etnische minderheden.

(a)  

24.

Wanneer in een land altijd voor iedereen voldoende voedsel van goede kwaliteit beschikbaar is.

(a)