wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Suske en Wiske 30

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

un gant =

a)

een handschoen

b)

een sjaal

c)

een hoed

d)

een laars

2.

mettre = aantrekken

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)

3.

une écharpe =

a)

een handschoen

b)

een sjaal

c)

een hoed

d)

een laars

4.

un imperméable = een regenjas

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)

5.

une botte =

a)

een handschoen

b)

een sjaal

c)

een hoed

d)

een laars

6.

Welke afbeelding hoort bij welk kledingstuk?

a)

1.

une jupe

b)

2.

une chaussette

c)

3.

un bonnet

d)

4.

un pull

e)

5.

une chaussure

7.

un pantalon = een broek

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)

8.

une chemise = een kous

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)

9.

un chapeau =

a)

een handschoen

b)

een sjaal

c)

een hoed

d)

een laars

10.

des sous-vêtements = vlinderdasje

a)

vrai (waar)

b)

faux (niet waar)