wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examentraining lezen en luisteren

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Het onderwerp van een tekst?

a)

In één woord waar het verhaal over gaat

b)

In één zin waar het verhaal over gaat

2.

(Examen 2023)

ouderwetse rolpatronen?

a)

Jongensspeelgoed voor jongens

b)

Meisjesspeelgoed voor meisjes

c)

Beide antwoorden zijn goed

3.

Waarom gebruikt de schrijver dit moeilijke woord: conservatieve?

a)

De schrijver had het woord 'ouderwets' al gebruikt

b)

De schrijver laat zo zien dat hij/zij gestudeerd heeft

c)

Beide antwoorden zijn goed

4.

Draken van tekst.
Niet te lezen.

Wat moet je ermee?

a)

Gokken

b)

Geen antwoord geven

5.

Wat kun je zeggen over moeilijke woorden in een tekst?

a)

De uitleg lees je vaak iets verder of stond een stukje terug in de tekst

b)

Sommige woorden kun je om te snappen uit elkaar trekken; zoals:

studieloopbaan-
begeleider

c)

Beide antwoorden zijn goed

6.

Martin Luther King jr. beloofde in een toespraak dat ooit alle mensen gelijke rechten zouden hebben, maar dat hij dat persoonlijk niet mee ging maken. Drie dagen later werd hij vermoord.

Wat is hier het tekstdoel?

a)

Instructie

b)

Overhalen/overtuigen

c)

Informeren

7.

Hoofdgedachte?

a)

In één zin waar het verhaal over gaat

b)

Je vindt de hoofdgedachte vaak in de titel of de inleiding

c)

Beide antwoorden zijn goed

8.

Marokko is een geweldig land

a)

Feit

b)

Mening

9.

Tussen Marokko en Spanje ligt de Straat van Gibraltar (een deel van de Middellandse Zee)

a)

Mening

b)

Feit

10.

Een BBL-student werkt en studeert.

'en' is een zogeheten signaalwoord.
Van welk tekstverband?

a)

Tekstverband opsomming

b)

Tekstverband
tegenstelling

11.

Dus ben je geslaagd als je alle examens haalt.

Dus is het signaalwoord van een.....

a)

Opsomming

b)

Conclusie

12.

Welk signaalwoord (van een tegenstelling) staat in de de volgende zin?

Ik vind jullie aardig, maar jullie moeten wel opletten.

a)

Maar

b)

aardig

13.

Een tussenkop

a)

Staat boven een alinea

b)

Staat onder een alinea

14.

In het examen zijn alinea's genummerd

a)

Niet waar

b)

Waar

15.

Een tekst heeft een nieuwe alinea

a)

Als de schrijver een nieuwe gedachte uitschrijft

b)

Vooral voor de vormgeving

16.

Als ik snel een tekst wil begrijpen stort ik me op

a)

het begin

b)

het midden

c)

het einde