WorksheetsChapter 3 Vocab p. 170
Total questions: 15
Worksheet time: 5mins
Name
Class
Date
1.
to entertain
a)
entertainen
b)
vermaken
c)
verheugen
d)
verwachten
2.
in fact
a)
hierdoor
b)
een feit
c)
in feite
d)
eigenlijk
3.
charming
a)
charmant
b)
knap
c)
aantrekkelijk
d)
verleidelijk
4.
sequel
a)
vervolg
b)
volgende
c)
tweede
d)
volgorde
5.
nearly
a)
een beetje
b)
dichtbij
c)
niet
d)
bijna
6.
red carpet
a)
rode tapijt
b)
witte doek
c)
podium
d)
rode loper
7.
therefore
a)
zoals
b)
daarom
c)
hierdoor
d)
echter
8.
moving
a)
verhuizen
b)
teleurstellend
c)
ontroerend
d)
verplaatsen
9.
episode
a)
aflevering
b)
episode
c)
verhaal
d)
seizoen
10.
gem
a)
diamant
b)
edelsteen
c)
opaal
d)
juweel
11.
to gossip
a)
vertellen
b)
bespreken
c)
roddelen
d)
beoordelen
12.
silly
a)
dwaas
b)
gek
c)
onnozel
d)
grappig
13.
extra
a)
extra
b)
acteur
c)
figurant
d)
daarbij
14.
constantly
a)
constant
b)
steeds
c)
altijd
d)
consistent
15.
publicity
a)
uitgeverij
b)
bekendheid
c)
publiciteit
d)
beroemd
100 %
