wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4_M2_Aanbod

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Produceren is het gebruiken van productiefactoren om producten en diensten te vervaardigen.

a)

juist

b)

onjuist

2.

De productiefunctie laat zien welke productie mogelijk is door de inzet van productiefactoren.

a)

juist

b)

onjuist

3.

Bij stijgende marginale kosten zijn de marginale kosten bij elke productieomvang hoger/lager dan de gemiddelde variabele kosten.

a)

hoger

b)

lager

4.

Als een extra product hogere marginale kosten met zich meebrengt dan de GTK, zullen de GTK stijgen/dalen.

a)

stijgen

b)

dalen

5.

Naarmate de productieomvang toeneemt, nemen de vaste kosten per product af.

a)

juist

b)

onjuist

6.

Het maken van auto's is kapitaalintensief.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Het schrijven van boeken is arbeidsintensief.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Bij proportioneel variabele kosten zijn de marginale kosten bij elke productieomvang
gelijk aan / groter dan de gemiddelde variabele kosten

a)

gelijk aan

b)

groter dan

9.

De lonen van oproepkrachten behoren tot de

a)

vaste kosten

b)

variabele kosten

10.

In het break-evenpunt geldt:

a)

TO = TK

b)

GO - GTK

c)

p x q