Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ak H5 les `1 Een land met veel water

Total questions: 42

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Wat is klei?
a)
De kleinste korreltjes sediment die alleen met een microscoop te zien zijn.
b)
De grootste korreltjes sediment die alleen met een microscoop te zien zijn. 
c)
De kleinste korreltjes sediment die met het blote oog te zien zijn. 
d)
De grootste korreltjes sediment die met het blote oog te zien zijn. 
2.
Wat is een ander woord voor het uiterlijk van het gebied?
a)
Landschap
b)
Bodemgebruik
c)
Grondgebruik
d)
Cultuurlandschap?
3.
Welk landschap zie je op de foto?
a)
Zeekleilandschap
b)
Duinlandschap
c)
Rivierkleilandschap
d)
Zandlandschap
4.

Hoog Nederland is al het gebied boven

a)

0m NAP

b)

+ 1M NAP

c)

+ 2M NAP

d)

-1M NAP

5.

Als Nederland geen duinen of dijken heeft overstroomd

a)

55% van NL

b)

66% van NL

c)

77% van NL

d)

0% van NL

6.

De voorlaatste ijstijd was ongeveer

a)

1 miljoen jaar geleden

b)

500.000 jaar geleden

c)

200.000 jaar geleden

d)

10.000 jaar geleden

7.

Op de foto zie je

a)

Kiezels

b)

Stenen

c)

Zwerfkeien

d)

Blokken beton

8.

Welk landschap komt niet in Nederland voor?

a)

Zandlandschap

b)

Heuvellandschap

c)

Berglandschap

d)

Duinlandschap

9.

Een zeekleilandschap en rivierkleilandschap zijn ongeveer op dezelfde manier ontstaan.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

NAP staat voor ...

a)

Nieuw Amsterdams Peil

b)

Normaal Amsterdams Peil

c)

Nieuw Amstelveens Peil

d)

Normaal Amstelveens Peil

11.

Een dam heeft aan beide kanten water

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

welk landschap komt voor bij de Nederlandse kust?

a)

duinlandschap

b)

zandlandschap

13.

Welk landschap zie je op de afbeelding?

a)

rivierkleilandschap

b)

veenlandschap

14.

De duinen zorgen voor

a)

bescherming

b)

minder wind

15.

Wat gebeurde er toen de dijken doorbraken in 1953?

a)

De Ijselmeerramp

b)

De watersnoodramp

16.

In de uiterwaarden vind je (1) ______ akkers, omdat (2) ____________?

a)

(1) Wel

(2) Hier vlakbij de rivier veel water is voor de plantjes

b)

(1) Wel

(2) De grond naast de rivier vruchtbaar is

c)

(1) Geen

(2) Het land kan overstromen, en dan mislukt de oogst

d)

(1) Geen

(2) De uiterwaarden worden gebruikt om huizen te bouwen

17.

Peter woont in een klein dorp op +0,65 meter boven NAP. Peter woont in ________?

a)

Laag-Nederland

b)

Hoog-Nederland

18.

Wanneer was de watersnoodramp?

a)

1953

b)

1957

19.

Een terp

a)

is gemaakt door mensen

b)

is gemaakt door de natuur

20.

Komgronden vind je.

a)

Iets verder van de rivier waar het water langzamer stroomt zakt klei.

b)

Iets dichterbij de rivier waar het water langzamer stroomt zakt zand.

21.

Oeverwallen vind je dichterbij de rivier. Die bestaan voornamelijk uit..

a)

Klei

b)

Zand

22.
Komgronden zijn de hogere delen in het rivierlandschap, met akkerbouw en fruitbomen.
a)
Juist
b)
Onjuist
23.
Op de oeverwal werd met name fijne klei afgezet.
a)
Juist
b)
Onjuist
24.
Komgronden zijn de hogere delen in het rivierlandschap, met akkerbouw en fruitbomen.
a)
Juist
b)
Onjuist
25.

Neerleggen van verweringsmateriaal als de transportsnelheid van water, wind of ijs afneemt.

a)

Erosie

b)

Verwering

c)

Sedimentatie

d)

Gletsjer

26.

Zet in goede volgorde van klein naar groot:

a)

grind, rotsen, zand, klei

b)

rotsen, grind, zand, klei

c)

klei, zand, rotsen, grind

d)

klei, zand, grind, rotsen

27.

Veengrond heeft te maken met

a)

klei

b)

planten

c)

zand

d)

loss

28.

Komgronden vind je.

a)

Iets verder van de rivier waar het water langzamer stroomt zakt klei.

b)

Iets dichterbij de rivier waar het water langzamer stroomt zakt zand.

29.
Wat is het nut van onze duinen en zeedijken?
a)
Daar kun je fijn wandelen
b)
Die zijn belangrijk voor de vogels
c)
Die beschermen ons land tegen de zee
d)
In de winter kun je er fijn vanaf sleeën
30.
Is het slim om in de uiterwaarden een huis te bouwen?
a)
Ja
b)
Nee
31.
"Sediment" is zand, stenen en klei
a)
waar
b)
niet waar
32.
Wat is "sedimentatie" ?
a)
kleine deeltjes zinken naar de bodem
b)
een ander woord voor klei
c)
een ander woord voor zand en stenen
d)
als de dijken overstromen
33.
Wat doen kribben en strekdammen?
a)
Die maken de rivier smaller
b)
Die maken de rivier breder
34.
De "zeespiegel" is de hoogte van het zeewater
a)
waar
b)
niet waar
35.
Wat is het Deltaplan?
a)
een plan om extra dammen en dijken te bouwen
b)
een plan om méér dijken aan het buitenland te verkopen
c)
een plan wat nooit is doorgegaan
d)
een plan, bedacht door meneer Delta
36.
Waarom vind je veel steenfabrieken langs de rivieren?
a)
Daar hebben ze veel stenen nodig
b)
Daar is het steviger
c)
Bij een rivier kun je veel stenen vinden
d)
In de rivier zit veel klei, wat nodig is om stenen te maken
37.
Waarom zie je veel boomgaarden in de uiterwaarden?
a)
Daar is veel plaats
b)
Fruitbomen groeien er goed op de klei
c)
Daar wonen veel boeren
d)
Daar kun je goed fruit verkopen aan fietsers en wandelaars
38.

In welk deel van Nederland vinden we het duinlandschap

a)

bij de Loonse duinen

b)

aan de kust bij noord-, zuid Holland en Zeeland

c)

in Limburg

d)

bij de kust in Friesland en Groningen

39.

Bij het ontstaan van duinen

a)

moet er sprake zijn van wind die het strand opblaast.

b)

moet er sprake zijn van wind die de zee in blaast

c)

speelt wind geen enkele rol

40.

Tijdens een ijstijd

a)

Daalt de zeespiegel

b)

Stijgt de zeespiegel

c)

Groeit het ijs aan op de zee

d)

Komt er ijs vanuit de bergen naar de zee

41.

Welke stelling hoort bij Laag Nederland?

a)

Ligt lager dan 1m boven zeespiegel.

b)

Hoger gelegen gebied van Nederland.

42.

Het neerleggen van slib en zand is

a)

Erosie

b)

Delta

c)

Sedimentatie

d)

Kunstmatige afwatering