wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2A_PR 3_ActieReactie_W5_MC2

Total questions: 84

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het symbool voor kracht?

a)

F

b)

N

c)

K

d)

S

2.

Wat is de SI-eenheid van kracht?

a)

newton (N)

b)

Force (F)

c)

massa (kg)

3.

Welke verandering is er op getreden op het cola blikje?

a)

Verandering van gewicht

b)

Verandering van vorm

c)

Verandering van kleur

d)

Verandering van massa

4.

Welke factor speelt geen rol bij een kracht

a)

Grootte

b)

Richting

c)

Aangrijpingspunt

d)

Tijd

5.

Welke kracht wordt afgebeeld op deze tekening?

a)

Zwaartekracht

b)

Duwkracht

c)

Trekkracht

d)

Wrijvingskracht

6.

Met welke kracht heb je niet te maken als je naar huis fietst?

a)

Wrijvingskracht

b)

Spierkracht

c)

Magnetische kracht

d)

Zwaartekracht

7.

Een kracht heeft geen aangrijpingspunt?

a)

waar

b)

niet waar

8.

Geef 2 aanpassingen aan auto's om krachten op te vangen?

4 lines
9.

Wat is de lengte van de rode pijl als je weet dat de grootte van de kracht 350 N is?

(a)  

10.

Wat is het symbool voor de eenheid van massa?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

11.

Wat is het symbool voor de eenheid van volume?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

12.

Wat is het symbool voor de eenheid van temperatuur?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

13.

Wat is de grootheid die past bij de eenheid kilogram?

a)

massa

b)

volume

c)

dichtheid

d)

kracht

e)

inhoud

14.

Geef een voorbeeld van Chemische energie naar kinetische energie

a)

elektromotor

b)

brandstofmotor

c)

kampvuur

d)

waterkrachtcentrale

15.

333 mm = ......

a)

0,3 m

b)

0,333 m

c)

0,3 km

d)

0,333 km

16.
8 cl = ... ml
a)
0,8
b)
8
c)
80
d)
800
17.
5 kg = ... mg
a)
5.000
b)
50.000
c)
500.000
d)
5.000.000
18.
1,2 g = ... mg
a)
1200 mg
b)
0,012 mg
c)
120 mg
d)
12.000 mg
19.

200 m = (a)   hm

20.

300 m2 = (a)   dam2

21.

73 cm3 = (a)   mL

22.

Je zit aan een openhaard. Welke energievorm zit hierachter?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

23.

Je zit aan een openhaard. Welke energievorm zit hierachter?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

24.

Welke energievorm bezit een brandende lamp?

a)

Kinetische energie

b)

Stralingsenergie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

25.

Je hebt een batterij nodig voor je zaklamp, welke energievorm zit er in de batterij?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

26.

Tijdens het bakken van een cake, gebruik je een elektrische mixer. Welke energievorm heeft het draaiende deel?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

27.

Welke energievorm is in de hoogspanning aanwezig?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

28.

Welke uitspraak over energie is correct?

a)

De hoofdeenheid van energie is de kilocalorie.

b)

Energie is een bepaalde grootheid dus we kunnen ze meten.

c)

De eenheid van energie is de Kj.

d)

1 kilojoule = 1000 cal

29.

Welk begrip past niet in de rij?

a)

diesel

b)

biogas

c)

steenkool

d)

stookolie

30.

Welke van onderstaande stoffen is géén fossiele brandstof?

a)

hout

b)

steenkool

c)

olie

d)

aardgas

31.

Wat zijn allemaal toepassingen van potentiële energie? Duid aan.

a)

stromend water van een stuwmeer

b)

lege batterij

c)

opgeslagen water in een watertoren

d)

een bal die je op een bepaalde hoogte vasthoudt

e)

een volle batterij

32.

Welke energievorm wordt er omgezet bij de verbranding van aardgas?

a)

fossiele energie

b)

verbrandingsenergie

c)

chemische energie

d)

potentiële energie

33.

Welke meest passende energievorm zit in een peer?

a)

Kinetische energie

b)

Thermische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Stralingsenergie

34.

Welke energievorm zie je op deze foto?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Stralingsenergie

35.

Welke energievorm zit in de opgespannen boog?

a)

Kinetische energie

b)

Elektrische energie

c)

Chemische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

36.

Wat is energie? Energie is de mogelijkheid om een .................................. teweeg te brengen.

a)

verandering

b)

probleem

c)

stilte

37.

Wat is het symbool van de eenheid van energie?

a)

W = Watt

b)

E = Energie

c)

J = Joule

38.

Welke energievorm is een vuurkorf?

a)

Elektrische energie

b)

Potentiële energie

c)

Kinetische energie

d)

Thermische energie

39.

Van welke energiebron wordt er gebruikt gemaakt bij het zeilen?

a)

Wind

b)

Zon

c)

Benzine

d)

Water

40.

Wat zijn aardolie en aardgas?

a)

Het zijn duurzame brandstoffen.

b)

Het zijn fossiele brandstoffen.

41.

Welke energievorm zet een windmolen om in elektrische energie?

a)

Groene energie

b)

Draai-energie

c)

Kinetische energie

d)

Potentiële energie

e)

Thermische energie

42.

Duid de groene energievormen aan.

a)

Steenkool

b)

Warmtekracht

c)

Kernenergie

d)

Biomassa

e)

Windenergie

43.

Welke energieomzetting vinden we bij het opladen van een batterij?

a)

Elektrische energie

-> chemische energie

b)

zwaarte energie

-> elektrische energie

c)

Chemische energie

-> elektrische energie

d)

Elektrische energie

-> thermische energie

44.

Welke energieomzetting vinden we bij het opwarmen van water op een fornuis?

a)

Elektrische energie

-> thermische energie

b)

Kernenergie

-> thermische energie

c)

Mechanische energie

-> thermische energie

d)

Chemische energie

-> thermische energie

45.

Een lamp gebruikt 10J en zet daarvan 2J om in licht. Welk rendement heeft deze lamp?

a)

5%

b)

80%

c)

2%

d)

20%

46.

Wat is de wet van behoud van energie?

a)

Energie kan worden gecreëerd maar niet worden vernietigd

b)

Energie kan worden vernietigd maar niet worden gecreëerd

c)

Energie kan worden gecreëerd en worden vernietigd

d)

Energie kan niet worden gecreëerd of vernietigd, maar kan van vorm veranderen

47.

Welke energieomzetting zien we hier? "Een gloeilamp dat brandt."

a)

Bewegingsenergie => Thermische energie

b)

Stralingsenergie => Thermische energie

c)

Elektrische energie => Stralingsenergie

d)

Elektrische energie => Thermische energie

48.

Wat betekent "groene energie"?

a)

Groene stroom is groen.

b)

Groene stroom is hetzelfde als grijze stroom.

c)

Groene stroom wordt opgewekt uit duurzame bronnen.

d)

Groene stroom bestaat niet.

49.

Wat is energie? Energie is de mogelijkheid om een .................................. teweeg te brengen.

a)

verandering

b)

probleem

c)

stilte

50.

De hete steel van een lepel hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

51.

Tocht in huis is een vorm van?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

52.

Water dat door warmte beweegt is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

53.

Een terrasverwarmer is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

54.

Koude tegels in de badkamer is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

55.

Hete kolen in een barbecue is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

56.

Een koud glas cola vasthouden is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

57.

De rook boven een kampvuur is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

58.

Blazen van een ventilator is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

59.

Een warmtelamp voor kuikens is?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

60.

Steenwol is tegen?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

61.

Radiatorfolie hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

62.

Kurk is tegen?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

63.

Isolatieschuim om buizen is tegen?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

64.

De spiegellaag in een thermosfles hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

65.

Dubbelglas hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

66.

De tochtstrip op een deur?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

67.

Kunststof handvatten aan een pan zijn tegen?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

68.

Vloerbedekking hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

69.

Aluminiumfolie hoort bij?

a)

Stroming

b)

Geleiding

c)

Straling

70.

Wat is geen elektromagnetische straling?

a)

UV

b)

Rontgen

c)

Beta

d)

Gamma

71.

Deze vraag gaat over de volgende soorten straling:

(1) Infrarode straling

(2) Gammastraling

(3) Röntgenstraling

Zet deze soorten straling in de juiste volgorde van minste energie naar meeste energie. (cijfer,cijfer,cijfer)

a)

1,2,3

b)

2,1,3

c)

3,1,2

d)

1,3,2

72.

Welke soort elektromagnetische straling zie je op de afbeelding?

a)

zichtbaar licht

b)

ultraviolet-straling

c)

kosmische straling

d)

tv-golven

73.

Welke straling gaat niet door je botten.

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

74.

Welke warmtestraling straalt een mens uit?

a)

ir- straling

b)

microgolven

c)

uv-straling

d)

röntgenstraling

75.

Welke van de onderstaande soorten straling hoort/horen bij het elektromagnetisch spectrum? (er kunnen meerdere antwoorden gekozen worden)

a)

radiogolven

b)

licht

c)

gammastraling

d)

geluidsgolven

76.

Gewicht en normaalkracht komen altijd samen voor. Daarenboven hebben ze altijd dezelfde grootte en richting, maar hebben ze een tegengestelde zin.

a)

waar

b)

niet waar

77.

Deze fles van 0,5 liter oefent een kracht uit van ...

a)

0,5N

b)

5N

c)

50N

d)

0,5 kg

78.

Je ziet hier een voorbeeld van...

a)

zwaartekracht

b)

statisch effect

c)

trekkracht

d)

normaalkracht

79.

De zin van de kracht is ...

a)

rechts

b)

500 N

c)

horizontaal

d)

evenwijdig

80.

Wat is de resulterende kracht?

a)

100 N

b)

40 N

c)

30 N

d)

70 N

81.

8 m/s is ongeveer gelijk aan ...

a)

8 km/u

b)

15 km/u

c)

30 km/u

d)

50 km/u

82.

Even rekenen...

Matteo loopt 100m op 20 seconden. Wat is zijn snelheid (v)?

a)

5 km/u

b)

50 km/u

c)

10 m/s

d)

18 km/u

83.

even rekenen...

de snelheid (v) van een jachtluipaard is 100 km/u.

Het beest loopt gedurende 14 seconden (t) achter een antiloop.

Hoeveel meter (s) heeft het jachtluipaard afgelegd?

a)

389 m

b)

1400 m

c)

7 m

d)

547m

84.

De lengte van een kind van 12 jaar is 1500 ...

a)

m

b)

dm

c)

cm

d)

mm