wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3BK voorbereiding proefwerk H2 lezen/schrijven

Total questions: 50

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Verkennend lezen gebruik je om:

a)

het onderwerp van de tekst te vinden

b)

de tekst te begrijpen

c)

een antwoord op een vraag te vinden

d)

de tekst te onthouden

2.

Zoekend lezen gebruik je om:

a)

het onderwerp van de tekst te vinden

b)

de tekst te begrijpen

c)

een antwoord op een vraag te vinden

d)

de tekst te onthouden

3.

Studerend lezen gebruik je om:

a)

het onderwerp van de tekst te vinden

b)

de tekst te begrijpen

c)

een antwoord op een vraag te vinden

d)

de tekst te onthouden

4.

Nauwkeurig lezen gebruik je om:

a)

het onderwerp van de tekst te vinden

b)

de tekst te begrijpen

c)

een antwoord op een vraag te vinden

d)

de tekst te onthouden

5.

Bij nauwkeurig lezen lees je:

a)

de tekst helemaal

b)

de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes

c)

de opvallende woorden

d)

alleen de eerste alinea

6.

Bij zoekend lezen lees je:

a)

de tekst helemaal

b)

de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes

c)

de opvallende woorden

d)

alleen de eerste alinea

7.

Bij verkennend lezen lees je:

a)

de tekst helemaal

b)

de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes

c)

de opvallende woorden

d)

alleen de eerste alinea

8.

Een nieuwsbericht heeft als tekstdoel

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

9.

Een leesboek heeft als tekstdoel

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

10.

Een advertentie heeft als tekstdoel

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

11.

Een recensie heeft als tekstdoel

a)

amuseren

b)

informeren

c)

overtuigen

d)

activeren

12.

De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij je informatie geeft over een bepaald onderwerp.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

13.

De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij zijn mening geeft.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

14.

De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij de lezer wil aanzetten om iets te gaan doen.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

15.

De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij de lezer wil vermaken.

a)

informeren

b)

overtuigen

c)

activeren

d)

amuseren

16.

Het onderwerp van de tekst benoem je in

a)

een hele zin

b)

een alinea

c)

1 of een paar woorden

17.

Het onderwerp van de tekst is

a)

waar een alinea over gaat

b)

waar de tekst over gaat

c)

de titel

18.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

a)

een samenvatting van de tekst in 1 zin

b)

waar de tekst over gaat

c)

wat je van de tekst vindt

d)

een antwoord op een vraag

19.

De inleiding wordt gebruikt om het onderwerp te benoemen en de interesse van de lezer te wekken.

a)

waar

b)

niet waar

20.

In de inleiding kun je

a)

een gebeurtenis beschrijven

b)

een mening over het onderwerp geven

c)

een vraag over het onderwerp stellen

d)

alle voorgenoemde antwoorden

21.

In het slot komt nieuwe informatie

a)

waar

b)

niet waar

22.

Het slot kun je gebruiken om de informatie nog eens samen te vatten

a)

waar

b)

niet waar

23.

Feiten zijn

a)

controleerbaar

b)

wat iemand vindt

c)

een illusie

24.

Meningen zijn

a)

controleerbaar

b)

wat iemand vindt

c)

een illusie

25.

Hoofdzaken zijn

a)

de belangrijkste informatie in een tekst

b)

niet zo belangrijk

c)

voorbeelden of een extra uitleg

26.

Bijzaken zijn

a)

de belangrijkste informatie in een tekst

b)

niet zo belangrijk

c)

voorbeelden of een extra uitleg

27.

Wat kun je weglaten?

a)

hoofdzaken

b)

bijzaken

28.

Kernzinnen zijn

a)

hoofdzaken

b)

bijzaken

29.

Een kernzin is vaak

a)

de eerste zin van een alinea

b)

de tweede zin van een alinea

c)

de inleiding

d)

het slot

30.

De signaalwoorden die horen bij een opsomming zijn

a)

en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot

b)

maar, toch, echter, daarentegen, integendeel

c)

bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie

d)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

31.

De signaalwoorden die horen bij een tegenstelling zijn

a)

en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot

b)

maar, toch, echter, daarentegen, integendeel

c)

bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie

d)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

32.

De signaalwoorden die horen bij een voorbeeld zijn

a)

en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot

b)

maar, toch, echter, daarentegen, integendeel

c)

bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie

d)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

33.

De signaalwoorden die horen bij een reden of argument zijn

a)

en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot

b)

maar, toch, echter, daarentegen, integendeel

c)

bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie

d)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

34.

De signaalwoorden die horen bij een oorzaak-gevolg zijn

a)

doordat, hierdoor, met als gevolg

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

dus, kortom, dan ook

d)

eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

35.

De signaalwoorden die horen bij een doel-middel zijn

a)

doordat, hierdoor, met als gevolg

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

dus, kortom, dan ook

d)

eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

36.

De signaalwoorden die horen bij een conclusie zijn

a)

terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

dus, kortom, dan ook

d)

eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

37.

De signaalwoorden die horen bij een volgorde zijn

a)

terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

dus, kortom, dan ook

d)

eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

38.

De signaalwoorden die horen bij een tijd zijn

a)

terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

dus, kortom, dan ook

d)

eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte

39.

Het eerste wat je bij een zakelijke brief opschrijft is

a)

je naam, adres, postcode en plaats

b)

de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde

c)

het onderwerp van de brief

d)

plaats en datum van schrijven

40.

Het tweede wat je bij een zakelijke brief opschrijft is

a)

je naam, adres, postcode en plaats

b)

de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde

c)

het onderwerp van de brief

d)

plaats en datum van schrijven

41.

Het derde wat je bij een zakelijke brief opschrijft is

a)

je naam, adres, postcode en plaats

b)

de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde

c)

het onderwerp van de brief

d)

plaats en datum van schrijven

42.

Het vierde wat je bij een zakelijke brief opschrijft is

a)

je naam, adres, postcode en plaats

b)

de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde

c)

het onderwerp van de brief

d)

plaats en datum van schrijven

43.

Bij een zakelijke brief spreken we de persoon aan met je of jij

a)

waar

b)

niet waar

44.

We verwijzen naar personen met

a)

waarmee, waaronder, waardoor

b)

met wie, aan wie, door wie

45.

We verwijzen naar dingen met

a)

waarmee, waaronder, waardoor

b)

met wie, aan wie, door wie

46.

Vul in: De onderzoeker ........ ik samenwerk, komt uit Spanje.

a)

met wie

b)

waarmee

c)

aan wie

d)

waardoor

47.

Vul in: Het surfpak heeft 17 sensoren, ....... de bewegingen van 23 gewrichten kunnen worden bekeken.

a)

met wie

b)

waarmee

c)

aan wie

d)

waardoor

48.

Vul in: De wetenschapper ........ de prijs is toegekend, werkt in Nijmegen.

a)

met wie

b)

waarmee

c)

aan wie

d)

waardoor

49.

Jullie gaan met je klas naar Frankrijk om berg te klimmen. Hiervoor heb je klimschoenen nodig. Doordat jullie met zoveel zijn, hoop je korting te krijgen als jullie alle schoenen in één keer aanschaffen. Hiervoor schrijf je een e-mail naar de winkel die de klimschoenen verkoopt. Schrijf hieronder de inleiding van je e-mail.

(a)  

50.

Je hebt een nieuwe jas gekocht. Na twee dagen is de rits al kapot. Je wilt hierover een klacht indienen bij de winkel en daarom besluit je een e-mail te schrijven. Schrijf hieronder de inleiding van je e-mail.

(a)