Worksheets3BK voorbereiding proefwerk H2 lezen/schrijven
Total questions: 50
Worksheet time: 59mins
Verkennend lezen gebruik je om:
het onderwerp van de tekst te vinden
de tekst te begrijpen
een antwoord op een vraag te vinden
de tekst te onthouden
Zoekend lezen gebruik je om:
het onderwerp van de tekst te vinden
de tekst te begrijpen
een antwoord op een vraag te vinden
de tekst te onthouden
Studerend lezen gebruik je om:
het onderwerp van de tekst te vinden
de tekst te begrijpen
een antwoord op een vraag te vinden
de tekst te onthouden
Nauwkeurig lezen gebruik je om:
het onderwerp van de tekst te vinden
de tekst te begrijpen
een antwoord op een vraag te vinden
de tekst te onthouden
Bij nauwkeurig lezen lees je:
de tekst helemaal
de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes
de opvallende woorden
alleen de eerste alinea
Bij zoekend lezen lees je:
de tekst helemaal
de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes
de opvallende woorden
alleen de eerste alinea
Bij verkennend lezen lees je:
de tekst helemaal
de titel, tussenkopjes, eerste alinea en bekijk je de plaatjes
de opvallende woorden
alleen de eerste alinea
Een nieuwsbericht heeft als tekstdoel
amuseren
informeren
overtuigen
activeren
Een leesboek heeft als tekstdoel
amuseren
informeren
overtuigen
activeren
Een advertentie heeft als tekstdoel
amuseren
informeren
overtuigen
activeren
Een recensie heeft als tekstdoel
amuseren
informeren
overtuigen
activeren
De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij je informatie geeft over een bepaald onderwerp.
informeren
overtuigen
activeren
amuseren
De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij zijn mening geeft.
informeren
overtuigen
activeren
amuseren
De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij de lezer wil aanzetten om iets te gaan doen.
informeren
overtuigen
activeren
amuseren
De schrijver heeft het tekstdoel ..... als hij de lezer wil vermaken.
informeren
overtuigen
activeren
amuseren
Het onderwerp van de tekst benoem je in
een hele zin
een alinea
1 of een paar woorden
Het onderwerp van de tekst is
waar een alinea over gaat
waar de tekst over gaat
de titel
Wat is de hoofdgedachte van een tekst?
een samenvatting van de tekst in 1 zin
waar de tekst over gaat
wat je van de tekst vindt
een antwoord op een vraag
De inleiding wordt gebruikt om het onderwerp te benoemen en de interesse van de lezer te wekken.
waar
niet waar
In de inleiding kun je
een gebeurtenis beschrijven
een mening over het onderwerp geven
een vraag over het onderwerp stellen
alle voorgenoemde antwoorden
In het slot komt nieuwe informatie
waar
niet waar
Het slot kun je gebruiken om de informatie nog eens samen te vatten
waar
niet waar
Feiten zijn
controleerbaar
wat iemand vindt
een illusie
Meningen zijn
controleerbaar
wat iemand vindt
een illusie
Hoofdzaken zijn
de belangrijkste informatie in een tekst
niet zo belangrijk
voorbeelden of een extra uitleg
Bijzaken zijn
de belangrijkste informatie in een tekst
niet zo belangrijk
voorbeelden of een extra uitleg
Wat kun je weglaten?
hoofdzaken
bijzaken
Kernzinnen zijn
hoofdzaken
bijzaken
Een kernzin is vaak
de eerste zin van een alinea
de tweede zin van een alinea
de inleiding
het slot
De signaalwoorden die horen bij een opsomming zijn
en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot
maar, toch, echter, daarentegen, integendeel
bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie
omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk
De signaalwoorden die horen bij een tegenstelling zijn
en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot
maar, toch, echter, daarentegen, integendeel
bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie
omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk
De signaalwoorden die horen bij een voorbeeld zijn
en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot
maar, toch, echter, daarentegen, integendeel
bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie
omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk
De signaalwoorden die horen bij een reden of argument zijn
en, ook, daarnaast, bovendien, als eerste, vervolgens, tot slot
maar, toch, echter, daarentegen, integendeel
bijvoorbeeld, een voorbeeld (hier)van (is), zo, zoals, ter illustratie
omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk
De signaalwoorden die horen bij een oorzaak-gevolg zijn
doordat, hierdoor, met als gevolg
waarmee, door middel van, om te
dus, kortom, dan ook
eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte
De signaalwoorden die horen bij een doel-middel zijn
doordat, hierdoor, met als gevolg
waarmee, door middel van, om te
dus, kortom, dan ook
eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte
De signaalwoorden die horen bij een conclusie zijn
terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast
waarmee, door middel van, om te
dus, kortom, dan ook
eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte
De signaalwoorden die horen bij een volgorde zijn
terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast
waarmee, door middel van, om te
dus, kortom, dan ook
eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte
De signaalwoorden die horen bij een tijd zijn
terwijl, voordat, nadat, tijdens, alvast
waarmee, door middel van, om te
dus, kortom, dan ook
eerst, dan, daarna, vervolgens, ten slotte
Het eerste wat je bij een zakelijke brief opschrijft is
je naam, adres, postcode en plaats
de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde
het onderwerp van de brief
plaats en datum van schrijven
Het tweede wat je bij een zakelijke brief opschrijft is
je naam, adres, postcode en plaats
de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde
het onderwerp van de brief
plaats en datum van schrijven
Het derde wat je bij een zakelijke brief opschrijft is
je naam, adres, postcode en plaats
de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde
het onderwerp van de brief
plaats en datum van schrijven
Het vierde wat je bij een zakelijke brief opschrijft is
je naam, adres, postcode en plaats
de naam, het adres, de postcode en plaats van de geadresseerde
het onderwerp van de brief
plaats en datum van schrijven
Bij een zakelijke brief spreken we de persoon aan met je of jij
waar
niet waar
We verwijzen naar personen met
waarmee, waaronder, waardoor
met wie, aan wie, door wie
We verwijzen naar dingen met
waarmee, waaronder, waardoor
met wie, aan wie, door wie
Vul in: De onderzoeker ........ ik samenwerk, komt uit Spanje.
met wie
waarmee
aan wie
waardoor
Vul in: Het surfpak heeft 17 sensoren, ....... de bewegingen van 23 gewrichten kunnen worden bekeken.
met wie
waarmee
aan wie
waardoor
Vul in: De wetenschapper ........ de prijs is toegekend, werkt in Nijmegen.
met wie
waarmee
aan wie
waardoor
Jullie gaan met je klas naar Frankrijk om berg te klimmen. Hiervoor heb je klimschoenen nodig. Doordat jullie met zoveel zijn, hoop je korting te krijgen als jullie alle schoenen in één keer aanschaffen. Hiervoor schrijf je een e-mail naar de winkel die de klimschoenen verkoopt. Schrijf hieronder de inleiding van je e-mail.
(a)
Je hebt een nieuwe jas gekocht. Na twee dagen is de rits al kapot. Je wilt hierover een klacht indienen bij de winkel en daarom besluit je een e-mail te schrijven. Schrijf hieronder de inleiding van je e-mail.
(a)
