wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Moleculebouwer deel 2: 4. Fysische/chemisch 5. uitzetten/krimpen

Total questions: 21

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke deeltjesmodellen stellen een chemische reactie voor?

a)

deeltjesmodel 1

b)

deeltjesmodel 2

c)

deeltjesmodel 3

2.

Welke voorbeelden zijn stofomzettingen?

a)

De waterdamp in wolken condenseert tot waterdruppels.

b)

Groene verf verkrijg je door gele en blauwe verf met elkaar te mengen.

c)

Je bakt een cake in de oven.

d)

Je knipt een blad papier in stukjes.

e)

Een zaadje groeit uit tot een grote boom.

3.

Welke voorbeelden zijn fysische verschijnselen?

a)

BIj het spuiten van parfum verspreidt de geur zich doorheen het lokaal.

b)

Een ijsje smelt snel op een warme zomerdag.

c)

Suiker lost op in warme koffie.

d)

Een fiets begint te roesten als deze lang buiten staat.

e)

Een baby groeit uit tot een volwassen persoon.

4.

De samenstelling van een stof verandert niet. De moleculen blijven hetzelfde. De structuur van de stof kan wel veranderen. Welk verschijnsel wordt er omschreven?

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemisch verschijnsel

5.

De samenstelling van een stof verandert. De atomen van de moleculen gaan zich herschikken en vormen nieuwe moleculen en dus nieuwe stoffen. Welk verschijnsel wordt er omschreven?

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemisch verschijnsel

6.

Waar of niet waar?

Een chemisch verschijnsel is hetzelfde als een stofomzetting.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Welke kenmerken behoren tot een fysisch verschijnsel?

a)

De samenstelling van de stof verandert niet.

b)

De samenstelling van de stof verandert.

c)

De moleculen blijven hetzelfde.

d)

De atomen van de moleculen gaan zich herschikken en vormen nieuwe moleculen.

e)

De structuur van de stof kan wel veranderen

8.

Welke kenmerken behoren tot een chemisch verschijnsel?

a)

De samenstelling van de stof verandert niet.

b)

De samenstelling van de stof verandert.

c)

De moleculen blijven hetzelfde.

d)

De atomen van de moleculen gaan zich herschikken en vormen nieuwe moleculen.

e)

De structuur van de stof kan wel veranderen

9.

Wat zijn voorbeelden van een fysisch verschijnsel?

a)

faseovergangen

b)

filteren

c)

verbranden

d)

verteren

10.

Wat zijn voorbeelden van een chemisch verschijnsel?

a)

faseovergangen

b)

filteren

c)

verbranden

d)

verteren

11.

Bij vaste stoffen zal de thermische beweging van de deeltjes....

a)

toenemen bij een temperatuurverhoging.

b)

afnemen bij een temperatuurverhoging.

c)

toenemen bij een temperatuurverlaging.

d)

afnemen bij een temperatuurverlaging.

12.

Bij vloeistoffen zal de thermische beweging van de deeltjes....

a)

toenemen bij een temperatuurverhoging.

b)

afnemen bij een temperatuurverhoging.

c)

toenemen bij een temperatuurverlaging.

d)

afnemen bij een temperatuurverlaging.

13.

Bij gassen zal de thermische beweging van de deeltjes....

a)

toenemen bij een temperatuurverhoging.

b)

afnemen bij een temperatuurverhoging.

c)

toenemen bij een temperatuurverlaging.

d)

afnemen bij een temperatuurverlaging.

14.

Waar of niet waar?

Thermische beweging van deeltjes komt in alle aggregatietoestanden voor.

a)

waar

b)

niet waar

15.

waar of niet waar?

Bij het opwarmen van een stof zal die altijd uitzetten.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Waar of niet waar?

Water is de enige stof die bij een temperatuurdaling onder de 4°C zal uitzetten.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Waar of niet waar?
Een stof zal uitzetten omdat de deeltjes door verwarmen groter worden.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Een gas zet sneller uit dan een vloeistof en een vaste stof omdat de .... bij een gas heel klein zijn.

a)

cohesiekrachten

b)

adhesiekrachten

19.

Welke uitspraken horen bij het uitzetten van een stof.

a)

verwarming

b)

afkoeling

c)

De afstand tussen de deeltjes worden groter.

d)

Het volume wordt groter.

e)

De deeltjes trillen hevig.

20.

Welke uitspraken horen bij het inkrimpen van een stof.

a)

verwarming

b)

afkoeling

c)

De afstand tussen de deeltjes worden kleiner.

d)

Het volume wordt groter.

e)

De deeltjes trillen minder hevig of bewegen traag.

21.

Welke invloed hebben microgolven op de deeltjes in de voeding tijdens het opwarmen van voedsel in de microgolfoven?

a)

Tijdens het opwarmen gaan de deeltjes in het voedsel uitzetten.

b)

Tijdens het opwarmen gaan de deeltjes in het voedsel inkrimpen.

c)

Tijdens het opwarmen gaan de deeltjes in het voedsel sneller bewegen.

d)

Tijdens het opwarmen gaan de deeltjes in het voedsel langzamer bewegen.